 |
1.1.4 Enkele bijzondere ziekten die met anemie gepaard gaan en voornamelijk bij allochtonen voorkomen
Met de hiervoor gepresenteerde werkwijze zal het vrijwel altijd mogelijk zijn, ook bij allochtonen, tot een (waarschijnlijkheids)diagnose te komen bij anemie. Enkele ziektebeelden die met anemie gepaard gaan en waarop men vooral bij allochtonen bedacht moet zijn, worden thans iets diepergaand besproken. Het gaat om: A. Hemoglobine-afwijkingen B. G-6-PD-deficiëntie. Giordano en Harteveld (zie ref. 2) onderscheiden in Nederland 3 categorieën inwoners: recente allochtonen, nietrecente allochtonen en autochtonen of mensen van ‘vermeend Noord-Europese afkomst’. De groep met het grootste risico voor hemoglobine-afwijkingen is die van de recente allochtonen. Deze groep is 1,5 miljoenmensen groot en de frequentie van dragerschap van hemoglobine-afwijkingen is 4 à 10 %. Het aantal dragers is 100.000 en het aantal nieuwgeboren ernstige patiënten 17 à 25 per jaar. Zonder preventie zal dus een totale groep van 500 patiënten uit alle leeftijdscategorieën ontstaan in Nederland. In deze groep bevindt zich ook de Surinaamse Antilliaanse populatie. In de groep van niet-recente allochtonen, die 1 miljoen mensen groot is en samenhangt met Nederlands koloniale verleden, wordt het risico van dragerschap op 2 à 4 % geschat. Het aantal dragers wordt gesteld op 30.000, het aantal nieuwe ernstige patiënten op <1 per jaar. De restgroep, autochtonen, is 12 miljoen mensen groot. De frequentie van dragerschap ligt tussen 0,05 en 0,1 %, het aantal dragers is 10.000 en het aantal nieuwe ernstige patiënten per jaar <1.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |