1.1.5.1 Klinisch chemische parameters
Het in de proximale dunne darm geabsorbeerde ijzer wordt (voornamelijk) gebonden aan het transporteiwit transferrine. Daar de transferrineconcentratie makkelijk met immunologische technieken bepaald wordt, kan uit deze gevonden concentratie en het bepaalde serumijzer gehalte direct het Tr-ijzer% berekend worden. Deze werkwijze is minder omslachtig dan de bepaling van het LIJBC. Een verlaagde Trijzer% (ijzergebrek) betekent dus een verhoogde LIJBC en omgekeerd. Het door transferrine gebonden ijzer wordt naar beenmerg, lever en milt gebracht waar het - voor zover het niet gebruikt hoeft te worden voor de synthese van hemoglobine, myoglobine enz. - wordt opgeslagen als ferritine. Relatief kleine hoeveelheden van ferritine worden in plasma c.q. serum gevonden (‘serumferritine’) en het is gebleken dat die hoeveelheden evenredig zijn met de hoeveelheden opgeslagen ferritine. Serumferritine is dus de beste maat voor de ijzervoorraad van het lichaam. Bij chronische ziekte is de ijzervoorraad in het lichaam wel voldoende maar bevindt het ijzer zich vooral in het reticulo-endotheliale systeem (RES) en onvoldoende in het beenmerg. Inflammatoire cytokines als tumor necrosis factor (TNF), interleukine-1, interferon ß enz. belemmeren de afgifte van ijzer vanuit het RES naar het beenmerg.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|