1.2  Hematologie

- 1 Hematologie
- 1.2 Het witte bloedbeeld
- 1.2.3 Definities en omschrijvingen
- 1.2.3.2 Differtentiatie

 

1.2.3.2 Differtentiatie

Op jeugdige leeftijd (ca. 1 jaar) is het percentage lymfocyten in het perifere bloed ca. 50%, na de puberteit daalt dit tot ca. 30%. Op 1-jarige leeftijd is het percentage neutrofiele segmentkernigen duidelijk lager (ca. 20%), dit stijgt na puberteit tot ca. 60% van het totaal aantal leukocyten.

In tabel 2 zijn benamingen van leukocytenpopulaties weergegeven.

Linksverschuiving en toxisch bloedbeeld
Men spreekt van linksverschuiving als er percentueel meer jonge vormen van de granulocytaire lijn in de differentiatie worden gevonden. Men kan dan een verhoogd aantal staafkernige neutrofiele granulocyten vinden en zelfs enkele myelocyten. Indien men meer dan 4% staafkernigen vindt, spreekt men van linksverschuiving. Er is sprake van een toxisch bloedbeeld als er als gevolg van infectie of toxische stoffen bepaalde veranderingen ontstaan in het cytoplasma; zoals vergroving van granula, vorming van vacuolen en het voorkomen van basofiele brokken ofwel lichaampjes van Döhle. Deze cellen hebben vaak verschrompelde pycnotische en gedeformeerde kernen.

Neutrofiele dysfunctie
Bij patiënten met frequent recidiverende infecties, veroorzaakt
door zowel bacteriën als schimmels, moet aan een neutrofiele dysfunctie worden gedacht. Stoornissen in de fagocytosefunctie veroorzaken ulcera van huid en slijmvlies. De meeste infectiehaarden zijn te vinden in oren, mond, luchtwegen en botten. Sepsis en meningitis zijn zeldzaam.

Neutropenie (<4,0 x 109/l)
De gevoeligheid voor infecties neemt toe indien het aantal neutrofielen daalt tot <1,0 x 109/l. Indien er minder zijn dan 0,2 x 109/l is de ontstekingsreactie gering en daarmee ontbreken de typische tekenen van lokale infectie. Er is dan wel vaak koorts. Neutropenie kan een aantal oorzaken hebben (tabel 3).

Neutrofilie
De meest voorkomende trigger voor het ontstaan van neutrofiele is infectie, hoewel het ook idiopatisch kan voorkomen. Bij infecties ontstaat meestal een leukocytose van 10 - 25 x 109/l. Neutrofilie kan eveneens meerdere oorzaken hebben (tabel 4).

Rechtsverschuiving of hypersegmentatie
Bij rechtsverschuiving bevat de kern van de granulocyten vijf of zelfs meer segmenten (hypersegmentatie). Het komt als erfelijke aandoening voor zonder klinische betekenis, maar wordt ook gevonden bij megaloblastaire anemieën.

Kernanomalie van Pelger-Huët
Deze anomalie is dominant erfelijk en heeft geen klinische betekenis. De celkern bestaat uit twee lobben, omdat de normale segmentatie zich niet voordoet. Er is ook een verkregen vorm die kan ontstaan bij virale infecties. Ook dient men bij de verkregen vorm alert te zijn op (het ontstaan van) myeloproliferatieve aandoeningen.

Atypische lymfocytose
In de bloeduitstrijk kunnen zeer polymorfe lymfocyten worden gevonden, die een brede basofiele cytoplasmazoom hebben. De kern is groot met een losmazige chromatinestructuur, waardoor zij soms worden verward met monocyten. Atypische lymfocytose gaat vaak samen met reactieve lymfocytose bij virusinfecties.

Basofilie (>0,1 x 109/l)
De basofiele granulocyten zijn het minst frequent vertegenwoordigd in het bloedbeeld. Zij behoren tot de mestcelfamilie. Mestcellen spelen een belangrijke rol bij allergische aandoeningen, omdat zij histamine kunnen vervoeren en afgeven. Basofiele cellen bevatten daarnaast nog heparine, hyaluronaat en serotonine. Zij spelen een rol bij het afzetten van immuuncomplexen in de weefsels.

Eosinofilie (>0,7 x 109/l)
Het aantal eosinofielen is voornamelijk verhoogd bij allergische aandoeningen en sommige parasitaire infecties. Het kan tevens verhoogd zijn bij:
- sommige bacteriële infecties.
- huidziekten als eczeem en psoriasis.
- maligne hematologische aandoeningen.
- maligne tumoren.

Monocytose (>1,0 x 109/l)
Monocyten zijn de in het perifere bloed voorkomende voorlopercellen van macrofagen. De belangrijkste functie van macrofagen is fagocytose.

Plasmacellen
Plasmacellen komen onder normale omstandigheden niet in het perifere bloed voor. Zij zijn van lymfoïde oorsprong, vaak polymorf gevormd met een brede zoom, sterk basofiel, soms gevacuoliseerd cytoplasma. De ronde kern heeft een compacte (grove) chromatinestructuur (soms met grote nucleoli), terwijl er aan één zijde van de kern vaak een lichte uitsparing (halo) is in het cytoplasma. Plasmacellen zijn normaliter producenten van antistoffen.

Verder in deze paragraaf:

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2010 SAN - info@de-san.nl