10.1  Infecties

- 10 Infecties
- 10.1 Infectieziekten
- 10.1.2 Diagnostiek
- 10.1.2.4 Klierkoorts

 

10.1.2.4 Klierkoorts

In de aanvang is het klinisch niet altijd goed mogelijk de verschillende mogelijke infecties te onderscheiden; onderscheid komt in de regel achteraf. Evenmin is dit mogelijk door hematologisch en routine klinisch-chemisch onderzoek: bij de meeste van deze infecties ziet men een atypische lymfocytose en verhoging van de transaminasen.
Om te kunnen differentiëren tussen de verwekkers is over het algemeen serologisch onderzoek, eventueel PCR, noodzakelijk. Bij een werkdiagnose klierkoorts op grond van keelpijn, temperatuurverhoging en gezwollen pijnlijke lymfklieren in de hals zijn de meest voor de hand liggende verwekkers het EBV, CMV en toxoplasmose. Een acute HIV infectie kan zich enkele dagen tot weken na de besmetting eveneens als een soort mononucleosis uiten; bij personen met risicovol gedrag voor besmetting met HIV kan een acute HIV infectie bij dit beeld een overweging zijn (zie 2E).
Uiteraard spelen bij het stellen van een werkdiagnose incidentie van de denkbare aandoening, leeftijd en beloop van ziekteactiviteit een rol. Bij een, overigens zelden optredend, ongewoon beeld en negatieve serologie voor genoemde ziektes zijn eventueel leukemie, M.Hodgkin, enz. te overwegen.

Epstein-Barr virus infectie
De diagnose Epstein-Barr virus infectie ofwel ziekte van Pfeiffer wordt gesteld op het aantonen van IgM-anti-VCA-EBV; de sensitiviteit en specificiteit van deze bepaling benaderen de 100 %. Na de acute primaire infectie verdwijnen de IgMantistoffen na ca. 10 weken uit het bloed, IgGanti- VCA-EBV verschijnen later, ca 1 maand na infectie, en blijven levenslang aanwezig.

Opmerking: een verhoogd leukocytengetal kan worden gevonden bij infecties. Omdat ook vele andere ziekten verhoging van het leukocytengetal kunnen veroorzaken (leukemie, infarct) en het aantal over de dag forse schommelingen toont, is de sensitiviteit en specificiteit van een verhoogd leukocytengetal voor de diagnostiek van infecties laag. Een differentiële telling van de leukocyten heeft vooral zin bij vermoeden op een M. Pfeiffer, waarbij men een verhoogd aantal (>10%) afwijkende grote lymfocyten kan aantreffen. Tijdens en kort na infectie worden vaak veel polymorfe lymfocyten gevonden met een brede basofiele cytoplasmazoom en een grote kern met een losmazige chromatine-structuur. Dergelijke bevindingen komen ook, doch in veel geringere mate, voor bij CMV infecties en zeldzaam bij toxoplasmose infecties.

Cytomegalovirus infectie
Bij een eerste infectie kunnen vrijwel direct na het begin van de klachten antistoffen tegen CMV van de IgM klasse worden aangetoond. In sommige laboratoria kan patiëntenmateriaal ook op kweek worden ingezet. Binnen twee tot drie dagen kan de kweek een positieve uitslag opleveren. Voor kweek kan een speekselwattendrager in GLY medium (en eventueel urine) 's ochtends naar het laboratorium worden gezonden.
De aanwezigheid van IgM-antistoffen in het bloed maakt een eerste infectie met CMV echter al zeer waarschijnlijk. IgG-antistoffen ontstaan in ca. een maand en blijven in tegenstelling tot de IgM-antistoffen die na een half jaar niet meer aanwezig zijn, levenslang aantoonbaar. Bij een reactivatie van een CMV infectie of super-infectie is het beloop van de serologische parameters soms minder duidelijk: titerstijging van IgGantistoffen in een serumpaar kan uitkomst bieden.

Toxoplasma gondii infectie
De orale besmettingsroutes kunnen zijn: door opname van oöcyten afkomstig van feces van vooral jonge katten doordat er contact was met besmette grond (eigen kattenbak, groente uit eigen tuin, kat van de buren over eigen erf e.d.) of door opname van cysten in rauw of onvoldoende verhit vlees (bv. 'filet americain').
Wanneer verdenking rijst op een toxoplasmose en in de anamnese één van de besmettingsroutes als mogelijkheid voorkomt, kan onderzoek worden aangevraagd naar IgM- en IgG-antistoffen tegen Toxoplasma. IgM-antistoffen zijn enkele dagen tot twee weken na het begin van de klachten aantoonbaar en verdwijnen in enkele maanden, soms pas na 1 jaar, hetgeen de diagnostische toepasbaarheid beperkt.
IgG-antistoffen zijn vanaf twee tot acht weken aantoonbaar en blijven vaak levenslang aanwezig, titerstijging van IgG-antistoffen in een serumpaar kan uitkomst bieden of er sprake is van een actieve infectie.

Verder in deze paragraaf:

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl