10.1  Infecties

- 10 Infecties
- 10.1 Infectieziekten
- 10.1.2 Diagnostiek
- 10.1.2.5 HIV infectie

 

10.1.2.5 HIV infectie

Een acute HIV infectie kan zich enkele dagen tot weken na de besmetting uiten als een soort mononucleosis waarbij nog wel eens op de voorgrond staat een vluchtige rash, huiduitslag en soms ook een beeld van een meningisme, hoofdpijnklachten. Wanneer bij een patiënt op grond van risicogedrag zoals frequent, wisselende homoseksuele of heteroseksuele contacten een HIV infectie wordt overwogen, staan volgende wegen in principe open:
- een bepaling op antistoffen tegen het HIV1/2 virus. Antistoffen tegen het HIV zijn niet direct na besmetting in het bloed aantoonbaar. De productie van de antistoffen komt pas na vier tot zes weken op gang; monstername voor de bepaling van antistoffen is dus pas zinvol 6 weken na het mogelijke contact met het virus. Het is wenselijk de bepaling in een volgend monster te herhalen. In afwachting op het ververrichten van de monsternames moet de patiënt risicovol gedrag mijden. Bij een positieve serologie vindt confirmatie plaats door een zeer specifieke bepaling.
- met een PCR op perifeer bloed wordt het virus zelf gedetecteerd en kan de diagnose vanaf het optreden van het ziektebeeld gesteld worden, dus ook in stadia dat er nog geen antistoffen respons is, hetgeen van belang kan zijn voor vroegtijdige interventie (een p24 antigeen bepaling, d.i. aantonen HIV-antigeen, kan ook uitkomst bieden).
Het is wenselijk de consequenties van een eventuele positieve uitslag tevoren goed door te spreken.

Verder in deze paragraaf:

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl