10.1  Infecties

- 10 Infecties
- 10.1 Infectieziekten
- 10.1.2 Diagnostiek

 

10.1.2 Diagnostiek

In de huisartspraktijk kunnen praktische richtlijnen voor de benodigde microbiologische diagnostiek bij vermoeden van een infectie het beste uitgaan van:
- het specifieke patroon van klachten bij de patiënt,
- de onderzoeksbevindingen en
- de hieruit voortkomende werkhypothese (met de daarbij horende behandeling).
Anamnese en lichamelijk onderzoek zijn in alle gevallen van vermoeden op infectie de meest geëigende methoden om tot zulk een werkhypothese te komen. Daarna kan microbiologisch onderzoek worden aangewend voor het direct aantonen van de ziekteverwekker (microscopie of kweek of, in sommige gevallen, door PCR) en indirect door serologie. De BSE kan bij de follow-up een nuttige parameter zijn. In de huisartspraktijk kan bacteriologisch onderzoek aangewend worden om de reeds ingestelde therapie te controleren en, als de patiënt onvoldoende reageert op de blind ingestelde behandeling, bij te stellen. Bij voorkeur moeten patiënten met bekende stoornissen in de afweer (prednison of cytostaticagebruik, splenectomie) klinisch worden onderzocht.

* Voor hepatitis zij verwezen naar de hoofdstuk ‘Diagnostiek van aandoeningen van lever en galwegen’.

Verder in deze paragraaf:

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl