10.3  Infecties

- 10 Infecties
- 10.3 Importziekten
- 10.3.3 Laboratoriumonderzoek

 

10.3.3 Laboratoriumonderzoek

Bij het laboratoriumonderzoek van parasitaire infecties kan men twee methoden onderscheiden (tabel 4):
- directe methoden waarbij de parasiet, zijn antigenen of DNA in het patiëntenmateriaal worden aangetoond. De allerbelangrijkste directe test is het microscopisch onderzoek (in hoofdstuk ‘Seksueel overdraagbare aandoeningen’, par. 1, wordt nader ingegaan op de achtergrond van moleculair onderzoek).
- indirecte methoden die de reactie van de gastheer op de parasiet aantonen. Deze serodiagnostiek heeft zijn beperkingen maar neemt een belangrijke plaats in o.a. bij het amoebenabces van de lever, schistosomiasis, echinococcosis, cysticercosis, trichinellosis, fascioliasis, strongyloïdiasis en toxocariasis.

Opmerking: de oorspronkelijk met de term E. histolytica aangeduide amoebe is een complex van pathogene en niet-pathogene soorten, waartussen met microscopisch onderzoek van de cysten in de ontlasting geen onderscheid te maken is. Het onderscheid is tegenwoordig wel te maken met behulp van DNA-amplificatie testen: de niet-pathogene soort wordt thans aangeduid met E. dispar, terwijl de oorspronkelijke naam gereserveerd blijft voor de potentieel wel pathogene soort. Het hoeft geen betoog dat de differentiëring tussen beide soorten van belang is voor diagnostiek, therapie en vervolg.
Opmerking: onderzoek van uit feces geïsoleerde cyste-DNA heeft geleerd dat E. dispar cysten zeker tienmaal meer voorkomen dan E. histolytica cysten.

Verder in deze paragraaf:
- Geen gerelateerde onderwerpen beschikbaar

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl