 |
11.1.2.1 Astma
In het algemeen manifesteert astma zich al op jeugdige leeftijd. Er is sprake van familiair voorkomen. Astma komt bij ca. 15% van de kinderen voor. In de diagnostiek van astma wordt de nadruk gelegd op de ernst van de aandoening en de pathofysiologie die aan de bronchusobstructie ten grondslag ligt. De therapie van astma moet namelijk worden afgestemd op de ernst van de klachten, het opheffen van de bronchusobstructie, verminderen van de wisseling in de bronchusobstructie gedurende de dag en van dag tot dag, het verminderen van de luchtwegreactiviteit en het voorkomen van afwijkingen op langeretermijn. Vele patiënten die objectief afwijkingen hebben, in de zin van een gestoorde longfunctie en een hoge mate van luchtweghyperreactiviteit, zijn vaak niet bekend bij hun huisarts of een longarts cave kinderen). Desgevraagd geven deze personen wel aan dat men klachten heeft maar dat deze klachten niet zo ernstig zijn dat men zich tot een arts wendt. Het kan voorkomen dat de patiënten met een vrij ernstige luchtwegobstructie weinig klachten uiten als een luchtwegobstructie wordt geïnduceerd d.m.v. een inhalatieprovocatie test met bv. metacholine. De matige relatie tussen ernst van de klachten en mate van luchtwegobstructie hebben dan ook geleid tot het meten van objectieve ziekteparameters om zo de ernst van de aandoening te kwantificeren.

Over de metingen die zouden kunnen worden gehanteerd voor een goede inschatting van de ziekte bestaat geen nationaal of internationaal consensusrapport. Veel gebruikte metingen bestaan uit huidtests, specifieke IgE metingen als Phadiatop®, enz. (zie verder hoofdstuk ‘Allergische aandoeningen’), inhalatie-provocatie tests met bronchusobstructieve stoffen (zoals histamine of metacholine) en bepaling van de reversibiliteit van de bronchusobstructie na inhalatie van een bronchusverwijder. Voor de diagnostische ‘steroïd test’, zie 2B.
Inhalatie-provocatie test Het fenomeen luchtwegreactiviteit worden vastgelegd door een inhalatie-provocatietest (tweede lijn) met een potentieel luchtweg vernauwende stof. Histamine of metacholine geven een luchtwegobstructie door een direct effect op de bronchiale gladde spier. De luchtwegreactie is dan afhankelijk van de gevoeligheid van de spier voor de prikkel. De waarde van de histamine of metacholine PC20 is daarnaast afhankelijk van lokaleen geometrische factoren in de luchtwegen. Zo is de hoogte van de PC20 histamine of metacholine geassocieerd met de initiële luchtwegobstructie, hetgeen betekent dat bij een lagere FEV1 een lagere PC20 verwacht kan worden. Inhalatie-provocatietesten met histamine of metacholine kunnen worden gebruikt om therapie effecten vooral voor inhalatiecorticosteroïden vast te leggen.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |