 |
12.1.2.1 Niet-specifieke en specifieke afweer
Bij de afweer tegen vreemde elementen, veelal micro-organismen, kunnen we onderscheid maken tussen niet-specifieke en specifieke afweerreacties. Het niet-specifieke afweersysteem kan onmiddellijk op binnendringende micro-organismen reageren, maar deze reactie is in het algemeen slechts matig effectief. Dit systeem bestaat uit een humorale en een cellulaire component. De humorale component omvat met name een aantal bloedeiwitten waarvan het complementsysteem het belangrijkste is. Het kan o.a. door bacteriën geactiveerd worden wat uiteindelijk leidt tot lysis van deze bacteriën. De cellulaire component van het niet-specifieke afweersysteem bestaat uit de fagocyterende cellen, met name de granulocyten en de monocyten/macrofagen. Deze cellen kunnen vreemde elementen fagocyteren en vervolgens met behulp van zg. lytische enzymen lyseren. Het specifieke afweersysteem, dat enige tijd nodig heeft om zijn reactie tot ontplooiing te brengen, richt zich specifiek op het betreffende microorganisme en is uiterst effectief. Ook hier kunnen we een humorale component, de immunoglobulinen, en een cellulaire component, de Tlymfocyten onderscheiden. Zowel immunoglobulinen als T-lymfocyten reageren specifiek met het micro-organisme waartegen ze gericht zijn. Voor de uiteindelijke afweerreactie is echter het samenspel tussen niet-specifiek en specifiek afweersysteem van groot belang. Als voorbeeld kan dienen het opruimen van een bacterie: wanneer deze bacterie met immunoglobulinen en complementeiwitten beladen is, zal hij 100-voudig versneld (dan wanneer de bacterie niet beladen is met deze stoffen) door granulocyten gefagocyteerd worden.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |