 |
12.1.2.2 De normale imuunrespons
Hoe vindt nu de feitelijke afweer tegen microorganismen laats? De eerste verdedigingslinie wordt gevormd door huid en slijmvliezen (denk aan de grote kans op infecties bij verbrandingen en de persisterende luchtweginfecties bij het immobiele-cilia syndroom). Het niet-specifieke immuunsysteem vormt een tweede barrière (zoals blijkt uit de infecties die optreden bij de neutropenische patiënt). Vervolgens komt de specifieke immuunrespons op gang. Fagocytose van het micro-organisme vindt plaats, niet alleen in granulocyten maar ook in monocyten/macrofagen, die klasse II HLA-moleculen op hun oppervlak dragen. Binnen deze cellen vindt partiële afbraak van het micro-organisme plaats en de afbraakproducten, veelal laag-moleculaire eiwitten, worden tezamen met klasse II HLAmoleculen op het oppervlak van de cel tot expressie gebracht. Daarmee is deze cel een antigeen presenterende cel geworden. De antigeen presenterende cel presenteert het vreemde eiwit (‘antigeen’) vervolgens aan T-helper lymfocyten die een specifieke eceptor voor dit antigeen op hun oppervlak bezitten.

Figuur 1. Schematische (vereenvoudigde) weergave van de primaire immuunrespons. Het antigeen wordt opgenomen door een antigeen presenterende cel (APC), partieel gedegradeerd en in associatie met HLA-klasse II (HLA-DR) gepresenteerd aan een antigeen-specifieke T-helper cel die het betreffende epitoop herkent met zijn T-celreceptor (TCR). Deze T-cel raakt geactiveerd en gaat prolifereren, mede door IL-1 (afkomstig van de APC) en IL-2 (door de T-cel zelf geproduceerd). Hierbij ontstaan Tgeheugen cellen (‘memory’ T-cellen) en T-helper cellen (Th) die, door directe interactie met B-cellen en door de productie van cytokinen (interleukine 4, 5, 6 en 10), antigeen-specifieke B-cellen brengen tot activatie, proliferatie en productie van immunoglobulinen (Ig). Deze T-helper cellen activeren ook cytotoxische T-cellen (Tcyt). Tcyt herkennen antigeen dat gepresenteerd wordt in associatie met HLA-klasse I moleculen op de doelwitcel (‘targetcell’). Uit ref. 1, met toestemming van de uitgever.
Met name door infectie met het HIV gaan de T-helper lymfocyten te gronde. Bij HIV-patiënten kan men derhalve een te klein aantal CD4 bevattende T-lymfocyten aantreffen.
De aldus geactiveerde T-helper cellen gaan delen en ‘hulp bieden’ aan andere lymfocyten die specifiek met het antigeen kunnen reageren, nl. Blymfocyten, de producenten van immunoglobulinen en cytotoxische T-lymfocyten die van belang zijn voor de afweer tegen micro-organismen die onze lichaamscellen binnendringen, zoals bv. virussen en tuberkelbacillen (figuur 1). De antistofvorming (humorale immuniteit) is vooral van belang voor de afweer tegen gekapselde bacteriën zoals de pneumokok en Haemofilus influenzae, terwijl antistoffen ook zeker een rol spelen bij de neutralisatie van virussen in de bloedbaan en in lichaamsvloeistoffen. Wanneer virussen echter cellen zijn binnengedrongen (bv. influenzavirus in epitheelcellen van de luchtwegen) is de cellulaire immuniteit nodig om het virus onschadelijk te maken. Zoals vermeld komt de specifieke immuunrespons na een eerste contact met het antigeen vrij traag op gang (figuur 2). Tijdens deze primaire immuunrespons worden echter tevens T-geheugen cellen gegenereerd. Bij een volgend contact met het antigeen zijn daardoor reeds een groot aantal T-helper cellen beschikbaar, zodat de reactie veel sneller en ook veel krachtiger kan verlopen (figuur 2). Van dit principe wordt gebruik gemaakt bij vaccinaties (dit betreft zg. actieve vaccinatie; bij passieve vaccinatie worden specifieke antistoffen toegediend zoals bv. plaats vindt bij profylactische toediening van hyperimmunoglobuline tegen hepatitis A virus).
Figuur 2. Primaire en secundaire antistofrespons. Immunisatie met een primair antigeen leidt na 7 à 10 dagen tot het verschijnen van antistoffen van de IgM klasse, kort daarop gevolgd door antistoffen van de IgG, IgA en IgE klasse. In de secundaire respons na een boosterimmunisatie ontstaan reeds na drie dagen IgM klasse antistoffen, maar tegelijkertijd en in veel sterkere mate antistoffen van de IgG, gA en IgE klasse. Ook de kwaliteit van de antistoffen verandert: die van de IgG, IgA, en IgE klasse hebben een hogere affiniteit in de secundaire respons. Uit ref. 1, met toestemming van de uitgever.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |