 |
12.2.2.1 Aandachtspunten
Als een patiënt zich presenteert met symptomen van overgevoeligheid, loopt de diagnostische route langs een aantal bakens, namelijk de afwegingen: - van welke vorm van overgevoeligheid is er sprake: allergie, intolerantie of aversie? Zie tekstvlak. - het optreden van specifieke symptomen maakt de kans op allergie groot. - voor het optreden van een allergische reactie moet aan twee voorwaarden worden voldaan: er dient een recente en werkelijke expositie geweest zijn aan een bepaald allergeen en er moet een eindorgaangevoeligheid zijn voor dat bepaalde allergeen. - een zorgvuldige anamnese is de basis van de diagnostiek. Laboratoriumtests zijn vaak aanvullend, eliminatieproeven (eventueel gevolgd door provocatie) zijn afrondend. - bij allergie kan contact met een allergeen een verscheidenheid aan symptomen veroorzaken; leeftijd (zie onder) speelt hierbij een rol. Inhalatie-allergie bv. kan zich uiten in respiratoire symptomen (hetgeen veelal het geval is) doch ook in huidaandoeningen en/of gastrointestinale aandoeningen. Als men de mogelijkheid van de verscheidenheid aan lokalisatie’s niet voor ogen houdt, kan de diagnostiek nodeloos ingewikkeld worden. - bij een aandoening die in het beeld van een allergie past, kan een verhoogde, groep- of monospecifieke, IgE gevonden worden; nochtans kan de aandoening een geheel andere oorzaak (dan allergie) hebben. In dit verband zij er op gewezen dat bij ca. 20% van alle gesensibiliseerde individuen (d.w.z. met een verhoogd IgE) desniettemin geen allergie aanwezig is. - er kan sprake zijn van een ‘kruisreactie’ hetgeen de diagnostiek kan compliceren.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |