 |
12.2.2.4 Samenvatting
Het beeld dat de gehele anamnese geeft, de lichamelijke bevindingen en kennis van de veroorzakende stof maken het mogelijk in te schatten of er sprake is van een allergie.
Voordat aanvullende c.q. ondersteunende onderzoeken naar de veroorzakende stof besproken worden, volgt nog een algemene toelichting.
Toelichting Type I reacties komen het meest voor; erfelijke aanleg speelt hierbij een grote rol. Zij zijn o.a. verantwoordelijk voor ‘atopisch syndroom’ (allergisch astma, rinitis allergica, atopische conjuctivitis), eczeem, sommige urticaria, heftige reacties op insectensteken en anafylactische shock. Aan de hand van bepaalde kenmerken kan men nagaan of er sprake is van een type I reactie: - de combinatie van typische verschijnselen van mestceldegranulatie (kriebel, roodheid, rode ogen, loopneus, spierspasmen, niesbuien, benauwdheid, zwelling) wijst in de richting van type 1.Voor (koemelk-)allergie pleiten een positieve familie-anamnese voor atopie, eczeem en jeuk bij de zuigeling zelf en een verhoogd specifiek IgE voor melk en eosinofilie, Andere voorbeelden van type I reactie zijn patiënten die - binnen een kwartier - bij schoonmaken van groente dikke handen krijgen of bij binnengaan van een visrokerij ter plaatse kriebel in neus en ogen en benauwdheid voelen of na geneesmiddel c.q. insectesteek een shockreactie krijgen. - ontstaan van deze symptomen binnen een kwartier na expositie, bij voedselallergie binnen enkele uren na inname (soms komt een late fase achteraan die 3 - 4 uur na expositie begint en 8 of meer uren kan aanhouden), - de vaststelling dat het soms dagen vergt vóór de patiënt zich geheel hersteld voelt. Als de patiënt klaagt over een overgevoeligheidsreactie die pas 24 uur, nadat hij gestoken werd, optrad of over een eczeemreactie - soms voorafgegaan door jeuk - vele uren na een contact, zouden deze klachten een type IV allergie kunnen betreffen. Als een patiënt pas na een paar weken met een kunststofharder te hebben gewerkt, eczeem aan zijn handen krijgt, is hier mogelijk sprake van een type IV reactie (allergisch contacteczeem). Eczeemreacties kunnen echter ook door niet-immunologische mechanismen ontstaan. Voorbeeld is beschadiging van de huid door het loog uit zeep als gevolg van zich veelvuldig wassen. Een fabrieksarbeider die vertelt dat hij benauwdheid voelde doch, na even naar buiten te zijn gegaan voor frisse lucht, weer met zijn werk door kon gaan mits hij het contact met het irritans vermeed, reageert hyperreactief. In geval van een allergische reactie zou hij weliswaar dezelfde benauwdheid rapporteren doch een andere afloop vertellen: hij meldde zich ziek en was de volgende morgen misschien nog benauwd. Een in dit verband tegelijk optreden van oog- en neusklachten zou ook op een allergie wijzen. Als iemand in een ruimte reageert met een griepachtig gevoel na contact met endotoxinen (bv. geproduceerd door micro-organismen in lucht bevochtigingssystemen), is er geen sprake van allergie. De eerste fase van allergische reacties van type IV is een sensibilisatie. De tweede fase begint bij hernieuwd contact. Op de plaats van dit contact ontstaat, 12 - 48 uur later, een eczeemreactie. Een eenmaal ontstane contactallergie kan - zonder klinische verschijnselen - jaren blijven bestaan. Het eczeem kan chronisch worden als het contact met het oorzakelijke allergeen niet of onvolledig wordt verbroken, of contact ontstaat met kruisreagerende allergenen. Coeliakie, een overgevoeligheidsreactie op gluten, berust voornamelijk op een reactie van type IV. Een bepaling van IgE is dus voor de diagnostiek van deze aandoening overbodig; resorptietesten en/of onderzoek van darmbiopten (2e lijn) of de bepaling van anti-endomisium-IgA zijn de daartoe aangewezen middelen (endomisium is een bestanddeel van gluten; IgA is overigens niet betrokken bij het ontstaan van de allergische reactie). Klinische voorbeelden van type II reacties zijn de door geneesmiddelen als kinine uitgelokte vormen van hemolytische anemie of t mbopenie. Klinische voorbeelden van type III reacties zijn: - het zg. Arthus fenomeen, dat bij een allergische alveolitis op geïnhaleerde duivenmest (‘duivenmelkerslong’), schimmelig hooi (‘boerenlong’) of excretadeeltjes van vogels (‘vogelhouderslong’) kan ontstaan. Bij de allergische alveolitiden kan overigens ook een type IV reactie optreden. - de ‘serumziekte’, zo genoemd, omdat dit type overgevoeligheid voor het eerst werd onderkend bij individuen die behandeld waren met van paard of rund afkomstige immuunsera. Anders dan bij het Arthus fenomeen, blijven bij serumziekte de immuuncomplexen in oplossing en worden zij door de circulatie in het hele lichaam verspreid. Zij kunnen vervolgens neerslaan in diverse organen, zoals nieren, gewrichten of in de huid hetgeen resulteert in lokale ontstekingsreakties met als gevolg eiwitverlies in de urine, gewrichtzwelling en pijn, galbulten en koorts.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |