 |
12.2.3.4 Huidtest
Het boven gestelde geldt mutatis mutandis voor de huidtest. Een uitslag is valide mits de positieve controle (histamine) een positieve reactie en de negatieve controle (oplosmiddel) een negatieve reactie geeft.
Eosinofiele granulocyten Het aantal eosinofiele granulocyten in de circulatie vertoont in een ongeselecteerde populatie een sterke correlatie met het voorkomen en de ernst van de allergie. In meer geselecteerde patiëntengroepen is deze correlatie duidelijk slechter. Zo kan eosinofilie ook voorkomen bij infecties met parasieten, neoplasmata, auto-immuunziekten en bij het ‘hypereosinofiel syndroom’. Een ander voorbeeld van eosinofilie zonder allergie betreft patiënten met ‘intrinsic’ astma (personen van middelbare leeftijd met: klachten van de luchtwegen, neuspoliepen en intolerantie voor salicylaten). Als er echter een relatie tussen de veranderingen in eosinofilie en bepaalde exposities worden gevonden (bv. tijdens het ‘hooikoorts’-seizoen) onderbouwt eosinofilie de allergische diagnostiek. Evenzo wijst aanwezigheid van eosinofiele cellen in de uitstrijk van de conjunctiva op atopische conjunctivitis. Referentiewaarden: volwassenen 0,04 - 0,28 x 109/l. kinderen tot 1 jaar 0,04 - 0,70 x 109/l. kinderen tot 10 jaar 0,04 - 0,55 x 109/l.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |