12.2  Immunologie en allergie*

- 12 Immunologie en allergie*
- 12.2 Allergische aandoeningen
- 12.2.5 Fysiologische achtergronden van de bepalingen
- 12.2.5.1 Typen van allergische reacties

 

12.2.5.1 Typen van allergische reacties

Type I (ĎIgE gemedieerdí)
Het immunologische antwoord bij dit type bestaat in de eerste plaats uit de vorming van een antistof van de IgE klasse, die gericht is tegen het betreffende allergeen. Dit (specifieke) IgE komt in het bloed terecht en heeft de eigenschap zich bij voorkeur te hechten aan het oppervlak van basofiele leukocyten en mestcellen. De patiŽnt wordt dan Ďgesensibiliseerdí tegen het betreffende allergeen.
Indien de patiŽnt voor de tweede maal (dat kan jaren later zijn) in contact komt met hetzelfde allergeen, kan dit allergeen zich - dank zij het reeds aanwezige IgE - aan deze cellen binden. De met IgE ťn allergeen beladen cellen gaan histamine en andere mediatoren (leukotriŽnen, prostaglandinen, enz.) uitscheiden. Histamine veroorzaakt, evenals de leukotriŽnen, samentrekking van glad spierweefsel, oedeemvorming, toegenomen secretie van slijm, vasodilatatie en Ďjeukí. De tijdsduur tussen contact en verschijnen van dergelijke symptomen is ca. 10 - 20 minuten. Daarnaast komen er stoffen vrij die andere witte bloedcellen naar genoemde weefsels toelokken. De toestroming van andere cellen, met name eosinofiele granulocyten en lymfocyten, duurt een aantal uren (of zelfs dagen) en is waarschijnlijk verantwoordelijk voor het optreden van zg. late allergische reacties. De eosinofiele granulocyten zijn in geactiveerde toestand toxisch voor epitheel van luchtwegen, zenuwuiteinden enz. Door de beschadiging, die zij aanric en, versterken zij de allergische reactie.
Het fenomeen is klinisch heel duidelijk waarneembaar, bv. in de huid en in de longen.

Type II (ĎIgG of IgM gemedieerdí)
Bij een allergische reactie van type II hecht zich een allergeen direct aan bepaalde cellen, bijvoorbeeld erytrocyten of trombocyten. Door deze hechting worden deze cellen door het lichaam niet meer als lichaamseigen geaccepteerd. Als reactie worden antistoffen tegen deze Ďlichaamsvreemdeí cellen gevormd die zich aan het celoppervlak hechten; waarna ook complement zich kan hechten. Anders dan bij type I zijn deze antistoffen van de IgG of IgM klasse.
Via een cascade van activering van complementfactoren kan uiteindelijk cellyse ontstaan; vandaar dat dit type allergische reactie ook cytotoxische allergische reactie wordt genoemd.

Type III (ĎIgG gemedieerdí)
Allergenen en hun antistoffen (van de IgG klasse) kunnen complexe verbindingen vormen, die als netwerken kunnen neerslaan. Dergelijke immuuncomplexen activeren complement.
Factoren uit de complementcascade zijn verantwoordelijk voor het op gang brengen van een soort ontstekingsreaktie, waarbij met name neutrofiele granulocyten een belangrijke rol spelen.

Type IV
In tegenstelling tot de hiervoor genoemde typen van reacties, wordt type IV veroorzaakt door een overmatig sterke immuunreactie van lymfocyten zonder dat er antistoffen betrokken zijn.

Kruisreactie
Kruisreactie is te omschrijven als het verschijnsel dat het lichaam primair tegen allergeen A een antistof maakt, dat echter eveneens antigeen B - en eventueel antigeen C, enz. - kan binden, zodat inademen c.q. innemen van B (en C, enz.) een allergische reactie teweeg kan brengen.
Hierbij kan A een voedselallergeen zijn en B een inhalatie-allergeen, enz..Het omgekeerde (antistof primair tegen B, allergische reactie ook tegen A of C) kan, in sommige gevallen, ook gelden.
De kruisreactie is mogelijk doordat A, B en C ťťn (of meer) epitopen gemeenschappelijk hebben. Stel het berkantigeen (A) heeft drie epitopen, aan te duiden als I, II en III, het appelantigeen (B) heeft epitoop II en nog enkele andere epitopen, die evenwel niet voorkomen op het berkantigeen en dus in dit voorbeeld geen rol spelen. Nemen we tenslotte nog het nootallergeen met bv. alleen de epitopen II en III gemeenschappelijk met het berkenantigeen.
Als de patiŽnt anti-II-IgE maakt (antistof die II bindt), zal hij niet alleen klachten krijgen na contact met berkenpollen, maar ook na contact met appel of noot, vanwege de gemeenschappelijke epitoop II. In geval de patiŽnt een IgE maakt tegen III, zal hij klachten krijgen na contact met berkenpollen en noot, maar niet na contact met appel daar bij appel het epitoop III ontbreekt. Maakt de patiŽnt anti-I-IgE, dan treedt geen kruisreactie op.

Verder in deze paragraaf:
- Geen gerelateerde onderwerpen beschikbaar

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2014 SAN - info@de-san.nl