12.2  Immunologie en allergie*

- 12 Immunologie en allergie*
- 12.2 Allergische aandoeningen
- 12.2.5 Fysiologische achtergronden van de bepalingen

 

12.2.5 Fysiologische achtergronden van de bepalingen

In wetenschappelijke zin wordt allergie omschreven als een schadelijke immunologische reactie t.o.v. een lichaamsvreemde stof (‘allergeen’) bij een deel van natuurlijk blootgestelde individuen.
Andere typen immunologische reacties, zoals afweer tegen tumoren, weefseltransplantaten, bacteriën en virussen, kunnen berusten op, ten dele dezelfde, mechanismen als de allergische reacties, maar vallen door de aard van het veroorzakende materiaal buiten de definitie van allergie.

Voor het klinisch manifest worden van allergie moet aan drie grondvoorwaarden zijn voldaan:
1. Het allergeen moet in staat zijn binnen te dringen in het menselijk lichaam. Hierbij spelen factoren als oplosbaarheid, deeltjesgrootte e.d. een rol.
Een allergische reactie kan doorgaans alleen plaats hebben als de veroorzakende stof een hoog moleculairgewicht heeft, d.w.z. voldoende molecuulgrootte (niet te verwarren met deeltjesgrootte) heeft om door het immuunsysteem herkend te kunnen worden (dus niet lactose e.d.).
Een uitzondering treft men aan bij allergisch contacteczeem (type IV) dat door stoffen met een laag moleculair-gewicht kan worden veroorzaakt, omdat zij in vivo aan een eiwit gebonden worden.
Ter illustratie: Kattenallergenen in huisstof zijn in het algemeen zo klein dat zij lange tijd fijn verdeeld in de lucht kunnen blijven zweven en daardoor gemakkelijk tot in de bronchiën kunnen doordringen. Stuifmeelkorrels daarentegen zijn veel groter waardoor zij spoedig sedimenteren en zodoende binnen korte tijd uit de atmosfeer verdwijnen tenzij de weersomstandigheden (veel wind en zon) dit sedimentatieproces vertragen. In laatste geval hebben zij de gelegenheid in de luchtwegen te komen; door hun grootte komen zij evenwel niet verder dan de bovenste luchtwegen met gevolg dat alleen daar symptomen tot stand kunnen komen.
2. Het lichaam moet hierop een immunologisch ‘antwoord’ kunnen vormen: de immunologische reactie. Men onderscheidt vier typen van antwoord, die onder worden toegelicht.
3. Er moet een ‘hyperreactief ’eindorgaan zijn; d.w.z.organen, zoals longen, neus of huid, moeten versterkt gevoelig zijn voor stoffen die het immuunsysteem afscheidt als gevolg van dit ‘antwoord’. Deze overgevoeligheid doet de allergie klinisch manifest worden.

Verder in deze paragraaf:

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl