 |
13.1.1 Afkortingen
| ANA: | anti-kern antistoffen. | | BSE: | bezinkingssnelheid van erytrocyten. | | CRP: | C-reactieve proteïne. CRP is een 'acute-fase eiwit'. De term 'acuut' is in zoverre misleidend dat CRP - evenals sommige andere acute-fase eiwitten - ook verhoogd kan zijn bij chronische ziekten. | | anti-DNA: | antistoffen tegen (dubbelstrengs- c.q enkelstrengs-) DNA. | | Ig: | immunoglobuline. Immunoglobulinen zijn eiwitten die de bijzondere eigenschap hebben met bepaalde eiwitten, koolhydraten en andere stoffen een hechte binding aan te gaan. Die stoffen, waarmede een Ig een binding kan aangaan, worden de antigenen voor dit Ig genoemd. Er zijn vijf soorten (klassen) immunoglobulinen: IgG, IgA, IgM, IgD en IgE. Rf'n zijn immunoglobulinen, die een specifieke binding aangaan met het zogenaamde Fc gedeelte van een IgG. Als Rf van de IgM klasse is, kan dit Rf vijf Fc staarten binden, waardoor aggregaten ontstaan. | | RA: | reumatoïde artritis. | | Rf: | reumafactor. | | SLE: | ‘Systemic Lupus Erythematosus’. |
Verder in deze paragraaf:
- Geen gerelateerde onderwerpen beschikbaar
 |
Print deze pagina |
|
 |