13.1  Gewrichtsaandoeningen

- 13 Gewrichtsaandoeningen
- 13.1 Diagnostiek van enkele reumatische aandoeningen
- 13.1.3 Interpretatie

 

13.1.3 Interpretatie

Het aantonen van afwijkende waarden van Rf, CRP, ANA en urinezuur in bloed is bewijzend dat er ‘iets’ aan de hand is. Men kan dus zeggen, dat deze parameters wel sensitief zijn, maar van geringe specificiteit. Het fundament voor een reumatologische diagnose is het klinisch beeld.

Rf
Hoge concentraties van Rf kunnen in bloed van patiënten, lijdende aan een reumatische aandoening, worden aangetroffen.

De specificiteit van Rf bepaling bij aandoeningen van het bewegingsapparaat, is echter veel lager dan de naam ‘reumafactor’ suggereert.

Tabel 2 geeft aan dat het aantonen van Rf niet méér kan betekenen dan een ondersteuning van de klinisch gestelde diagnose RA, gezien de vele niet-reumatische aandoeningen met een positieve Rf. De diagnose RA kan verder ondersteund worden door de bepaling van de anti-perinucleaire factor (APF). De APF is in ca. 70% van de gevallen positief; in enkele gevallen positief terwijl de Rf niet aantoonbaar is.
Statistisch gezien hebben patiënten met een hoge titer van Rf een slechtere prognose dan met een lage titer. Fout-positieve uitslagen nemen toe met de leeftijd. Men houde er rekening mee dat fout-negatieve waarden bij RA kunnen voorkomen.

CRP
De mate van verhoging van de CRP geeft een idee van de activiteit van de reumatische aandoening (zoals RA, juveniele chronische artritis, spondolytis), mits niet-reumatische aandoening is uitgesloten. Van deze eigenschap kan gebruik worden gemaakt om de activiteit van RA te vervolgen (zie figuur 1 en figuur 2). Geringe verhogingen of normale waarden worden gevonden bij SLE en M. Sjögren.

BSE
Indien bij een patiënt met gewrichtsklachten een verhoogde BSE wordt aangetoond, kan dit de diagnose inflammatoir gewrichtslijden ondersteunen. Bij sommige gewrichtsaandoeningen (bv. SLE, ziekte van Bechterew) ligt de relatie ziekte-activiteit met de BSE onduidelijker. Bij de ziekte van Bechterew wordt nogal eens geen verhoogde BSE aangetroffen.

Hb en serumferritine
Serumferritine is bij anemie een belangrijke parameter. IJzerdeficiëntie is een serumferritine verlagende factor, chronische aandoeningen als infectie, kanker en ontsteking (bv. RA) een verhogende. Een laag Hb en een serumferritine boven 50 µg/l wijst bij een RA-patiënt op een ‘anemie van een chronische ziekte’.
(P.M.: in dit geval zal ijzersuppletie dan ook geen zin hebben of een effect sorteren). Een serumferritine beneden 50 µg/ l bij een RA-patiënt met anemie wijst op ijzergebrek.
Voor volledigheid zij vermeld dat ook een verhoogde serumferritinewaarden gevonden wordt bij ijzeroverlading (bv. hemochromatose, na bloedtransfusie).

ANA
Bij een duidelijke klinische indicatie kan een positieve uitslag de diagnose ‘Connective Tissue Disease’ als bv. SLE, sclerodermie, syndroom van Sjögren ondersteunen (niet RA, gezien de geringe prevalentie van ANA bij deze aandoening). Een positieve ANA is dan een aanleiding voor verder onderzoek en bepalingen van meer ziektespecifieke antikern-antistoffen (bv. anti- DNA voor SLE).
Een negatieve ANA maakt dergelijke ziekten minder waarschijnlijk tenzij aanwijzingen sterk zijn.

Urinezuur
Het serum urinezuurgehalte kan door verschillende oorzaken verhoogd zijn (tabel 3). De meest frequente oorzaken zijn psoriasis, alcoholisme en het gebruik van diuretica. Alleen het aantonen van urinezuurkristallen is specifiek; belangrijk in dit verband is ook te melden dat een normaal serumurinezuurgehalte nimmer jicht uitsluit.

Verder in deze paragraaf:
- Geen gerelateerde onderwerpen beschikbaar

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl