| ACTH: | adrenocorticotroop hormoon. Een pulsatiel door de hypofyse uitgescheiden hormoon, dat betrokken is bij de productie van glucocorticosteroiden door de bijnierschors. |
| AF: | alkalische fosfatase. |
| Ca 15.3: | een glycoproteïne, geproduceerd in melkklieren. Soms aangeduid als Ca 27.29. |
| Catecholaminen: | verzamelnaam voor adrenaline, noradrenaline en dopamine. |
| CEA: | carcino-embryonaal antigeen. |
| αFP: | α-foetoproteïne. |
| Gastrine: | één van de factoren die de pariëtale cellen van de maag activeren tot uitscheiding van maagzuur. |
| γGT | γ-glutamyltransferase. |
| hCG: | humaan choriogonadotropine. Zie hoofdstuk ‘Cyclusstoornissen’. |
| hCT: | humaan calcitonine. |
| 5-HIAA: | 5-hydroxyindolazijnzuur. |
| MEN: | multiple endocriene neoplasie. |
| Paraproteïnen: | verzamelnaam van in abnormale hoeveelheden geproduceerde monoklonale immunoglobulinen door één kloon plasmacellen of B-lymfocyten. |
| Prolactine: | een door de hypofyse uitgescheiden hormoon dat o.a. betrokken is bij de ontwikkeling van de mammae en de melkvorming. |
| PsA: | prostaat-specifiek antigeen. |
| SCC-antigeen: | ‘Squamous Cell Carcinoma’-antigeen. |