 |
14.1.2.2 Diagnostiek (algemeen)
De diagnose kanker wordt in principe gesteld op grond van histologisch onderzoek. Afwijkende laboratoriumuitslagen kunnen soms een signaalfunctie hebben voor de mogelijke aanwezigheid van kanker, óók in de eerste lijn. Bij een zéér hoge BSE (>100 mm/u) bv. moet behalve aan ziekten als reumatoïde artritis, ook gedacht worden aan de mogelijkheid van bv. een niercarcinoom, leukemie, de ziekte van Hodgkin en multipel myeloom. Een normale BSE sluit de diagnose kanker absoluut niet uit. Voor de huisarts blijft gelden dat anamnese (‘heesheid’, ‘bloed bij de ontlasting’, ‘hematurie’, ‘pijnloze zwelling’, ’leeftijd’) en lichamelijk onderzoek (inspectie, palpatie, rectaal toucher) belangrijkere indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van kanker dan laboratorium-onderzoek. Bij ca. 5-10% der patiënten met diep veneuze trombose kan de trombose een uiting zijn van een onderliggende maligniteit (1). In nog veel geringer percentage kan (toenemende) rugpijn een uiting zijn van bv. een testistumor (leeftijd!) of multipel myeloom (zie verder). Als regel zal specialistisch onderzoek nodig zijn om de definitieve diagnose te stellen.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |