 |
14.1.3 Voorbeelden van secundaire parameters
AF en γGT Bij gemetastaseerde tumorprocessen zijn skeletmetastasen en levermetastasen frequent. Osteoplastische metastasen brengen (bot-)AF in het bloed, waardoor soms aanzienlijk verhoogde waarden van de (totale) AF worden gemeten. Maar ook bij levermetastasen is een stijging van het AF (leverfosfatase) frequent. Bij patiënten met zowel bot- als levermetastasen kan de interpretatie van de AF activiteit daarom moeilijk zijn. Hierbij kan het γGT wel eens hulp bieden; veranderingen in γGT activiteit zijn stijging door progressie en daling door regressie van levermetastasen. Men realisere zich echter dat het γGT als reactie op chemotherapie of radiotherapie, evenals bij alcoholmisbruik, sterke schommelingen kan vertonen. Is er sprake van overwegend osteoplastische metastasen, dan zal er tijdens tumorregressie onder effectieve therapie het tevoren hoge AF een daling vertonen. Bij hormonale of cytostatische therapie van gemetastaseerd mammacarcinoom met levermetastasen èn osteolytische skeletmetastasen duurt het gewoonlijk 2 - 3 maanden maanden vóórdat herstel van osteolytische metastasen röntgenologisch zichtbaar is. Als tijdens de behandeling het AF stijgt, is dat een zeer sterke aanwijzing dat de therapie effectief is. Door recalcificatie in osteolytische metastasen, wordt namelijk een initiële stijging van het alkalische (bot-)fosfatase veroorzaakt die soms de vermindering van de concentratie (lever-)fosfatase in bloed als gevolg van afnemende regionale stuwing in de lever kan overheersen. Het ligt voor de hand dat dergelijke stijging gemakkelijk ten onrechte geïnterpreteerd zou kunnen worden als een falen van de therapie. De (eventueel) verhoogde AF waarden t.g.v. recalcificatie-activiteit houden gewoonlijk 2 à 3 maanden a ; pas tijdens de dalende fase zal de recalcificatie röntgenologisch zichtbaar worden.
Calcium Hypercalciëmie komt nogal eens voor bij (vooral uitgebreide) tumorprocessen, voornamelijk bij skeletmetastasering. Soms ook zonder dat van skeletmetastasering sprake is omdat sommige tumoren parathormon-achtige substanties (‘PTH related peptides’) kunnen produceren. Hypercalciëmie kan een ernstige nefrotoxische complicatie zijn, bv. bij M. Kahler, die zonder gerichte en tijdige behandeling snel tot nierinsufficiëntie kan leiden. De, tussen de cytostatica kuren door, thuis verblijvende patiënt dient in de eerste lijn niet alleen nauwlettend op calcium gecontroleerd te worden, doch ook op de hydratietoestand.
De klinische symptomen van hypercalciëmie zijn niet specifiek: misselijkheid, malaise, dorst en poly-urie. Bij het vermoeden van hypercalciëmie is een cito calcium bepaling geïndiceerd, en bij bevestiging van het vermoeden dient klinische behandeling zo spoedig mogelijk te beginnen, met name als het serumkreatinine al verhoogd is (of kreatinine klaring verminderd is). Referentiewaarden 2,10 - 2,55 mmol/l; hypercalciëmie boven 3,0 mmol/l is ernstig en fataal boven 4,5 mmol/l. Verhoogde calcium waarden (tot zeer hoog) kunnen ook gevonden worden in patiënten met bijschildkiercarcinoom, evenals verhoogde AF.
Hb Het Hb is bij kankerpatiënten vaak verlaagd, door bloedverlies of door onvoldoende aanmaak. De onvoldoende aanmaak kan berusten op deficiënties (slechte eetlust, gastro-intestinale tumoren) maar ook op beschadiging van het beenmerg, zowel door uitgebreide beenmergmetastasering als door radiotherapie of chemotherapie (met name platina-verbindingen).
Verder in deze paragraaf:
- Geen gerelateerde onderwerpen beschikbaar
 |
Print deze pagina |
|
 |