 |
15.1.4.2 Punctiecytologie
Een voor de patiënt weinig belastende techniek, waarmee snel (zelfs binnen 20 minuten!) informatie kan worden verkregen is de FNAC. Daarbij wordt de palpabele lesie 'aangeprikt' met een van een dunne naald voorziene injectiespuit met een speciale handgreep waarmee vacuüm kan worden gezogen. Is de naald eenmaal in de zwelling ingebracht, dan wordt vacuüm getrokken en de naald daarin heen en weer bewogen. Daardoor worden cellen losgezogen, die vervolgens (na het opheffen van de onderdruk) uit de naald op objectglaasjes worden uitgespoten, uitgestreken en na kleuring beoordeeld. Elke palpabele zwelling komt in principe aanmerking voor deze techniek. De meest voorkomende toepassingen zijn lymfklierzwellingen, mammatumoren en schildkliernoduli. Echter, afhankelijk van het type lesie en ook de vaardigheid van de cytopatholoog, bestaat de kans op een fout-negatief onderzoek van tenminste zo'n 10 - 20%. Dat betekent dat, zeker voor toepassing in de eerste-lijnszorg, de uitkomsten van FNAC met grote omzichtigheid moet worden gebruikt. Lang niet altijd kan de kans op een fout-negatief resultaat worden verkleind door het herhalen van het onderzoek.
Lymfklieren Om de oorzaak van een vergrote lymfklier vast te stellen is deze techniek, zeker ook in de eerstelijnszorg, uitermate geschikt. De belangrijkste groepen diagnoses zijn: reactieve (d.i. niet neoplastische) vergroting, lymforeticulaire maligniteit, infectie of metastase. Aangezien bij de differentiatie tussen reactieve kliervergroting of maligne lymfoom in veel gevallen niet alleen de morfologie wordt beoordeeld, maar ook gekeken naar de immunotypering (aan- of afwezigheid van monoklonaliteit voor kappa- of lambdaketens), is de diagnose voldoende betrouwbaar. Als een infectie wordt vastgesteld (tuberculose is zeker met de immigrantenpopulaties geen zeldzaamheid!), kan een gedeelte van het verkregen materiaal voor microbiologisch onderzoek worden afgestaan. Ook de aanwezigheid van metastasen (10% van de patiënten met aan maligne aandoening presenteert zich met een metastase) laat zich goed met FNAC vaststellen.
Om toch eventuele fout-negatieve FNAC-diagnoses op te sporen moet altijd met de patiënt worden afgesproken dat deze na drie maanden nog een keer wordt gecontroleerd. Is de vergrote klier niet kleiner geworden of verdwenen, of zijn er nieuwe klieren bijgekomen dan is verdere diagnostiek raadzaam.
Mamma Sinds toepassing van de zg. triple diagnostiek (klinisch oordeel, mammografie en aspiratiecytologie), is het aantal - achteraf onnodige - biopten sterk gedaald. Zowel het klinisch oordeel als de mammografie als de cytologie kennen elk een fout-negatief percentage van 15 - 20%. De kans dat ze alle drie tegelijkertijd ten onrechte een normale itslag geven (uitgaande van 20% foutnegatiefkans elk) is: 20% x 20% x 20% = 0,8%. Behalve bij vrouwen <20 jaar (kans op kanker vrijwel 0!), is het bij de analyse van mammatumoren niet verantwoord alleen op één van de drie testen, bv. de cytologie, te varen, maar naast cytologie ook een mammografie te laten verrichten.
FNAC van de mamma bij niet-palpabele radiodiagnostisch vastgestelde mamma-afwijkingen is volkomen zinloos, omdat men niet weet of de verkregen cellen representatief voor de afwijking zijn!
Schildklier Nodulaire schildklierafwijkingen komen frequent voor (bij 4 - 10% van de volwassen bevolking, vrouwen 5 maal zo frequent als mannen), terwijl maligne aandoeningen van de schildklier naar verhouding zeldzaam zijn (0,4% van alle maligniteiten, 300 nieuwe gevallen per jaar). Gezien deze lage voorafkans leent FNAC van de schildklier zich bij uitstek ter uitsluiting van een maligne aandoening. Bij de interpretatie van het 'normaal' resultaat altijd in de overwegingen betrekken of de patiënt tot één van de risicogroepen behoort op grond van de volgende gegevens: - geslacht en leeftijd (papillair schildkliercarcinoom vooral bij relatief jonge vrouwen), - gaat het om een duidelijke vaste dominante nodus? (Ook in een multinodulair struma!). - zijn er ook palpabele lymfeklieren (metastasen)? - is de patiënt hees (recurrens parese)? - heeft de patiënt vroeger (>15 jaar) een bestraling in hoofdhalsgebied ondergaan? - familie-anamnese: bij patiënten uit een familie met een MEN syndroom (MEN = multipel endocriene neoplasie).
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |