 |
17.1.2.1 Algemene aandachtspunten
- meer dan eens blijkt bij ziekenhuisopname sprake te zijn van ondervoeding. Circa tweederde van de bejaardenpopulatie lijdt aan een zekere vorm van chronische aandoening of ziekte die de behoefte aan voedingsstoffen kan beïnvloeden. De prevalentie van een biochemisch vitaminetekort in deze groep is relatief hoog, in een aantal gevallen mede als gevolg van langdurige medicijngebruik, zonder dat er (nog) sprake is van specifieke klinische symptomen. Via adequate preventieve maatregelen kan de huisarts er voor zorgen dat het aantal van hierdoor optredende ondervoedingsgevallen vermindert. Daarvoor is gericht voedingsonderzoek onmisbaar. - bij marginale (dus dreigende) ondervoeding en bij hypervitaminose c.q. vitamine-intoxicatie zijn klinische symptomen vaak weinig specifiek of kunnen nog ontbreken. - de tijdsduur tot het ontstaan van een vitaminedeficiëntie vitaminedeficiëntie hangt o.a. af van de lichaamsvoorraad van dit vitamine op het tijdstip, waarop een vit. deficiënte voeding een aanvang nam. Een tekort aan vit. B1, vit. B6, vit. C en vit. K kan al ontstaan binnen 2 maanden, een tekort aan foliumzuur na 2 à 4 maanden, een tekort aan vit. A of vit. E na 1 à 2 jaar en een tekort aan vit. B12 pas na 3 à 5 jaar. Indien men nooit in de zon komt, ontstaat een tekort aan vit. D na 2 à 4 maanden. - tijdige onderkenning van anorexia nervosa is moeilijk. - er zijn geneesmiddelen die (bij langdurig gebruik) tekorten aan vitamine(s) en/of spoorelementen kunnen veroorzaken. - als er tekorten van bepaalde nutriënten worden verondersteld, die niet het gevolg lijken te zijn van ontoereikende voeding, is overleg met een specialist noodzakelijk; bv. om een eventueel aanwezige spijsverterings- of absorptiestoornis dan wel een (overigens zeldzame) aangeboren stofwisselingsziekte na te gaan.
Verder in deze paragraaf:
- Geen gerelateerde onderwerpen beschikbaar
 |
Print deze pagina |
|
 |