18.1  diagnostiek met beeldvorming

- 18 Diagnostiek met beeldvorming
- 18.1 Beeldvormende diagnostiek voor de huisarts
- 18.1.2 Pathologie en praktische diagnostiek
- 18.1.2.3 Skelet traumata

 

18.1.2.3 Skelet traumata

Voorkoming van overdaad aan röntgenfoto's
Vrijwel alle fracturen zijn met behulp van röntgenonderzoek te diagnosticeren onder voorwaarde van een optimale afbeeldingstechniek en interpretatie. De radioloog kan zijn verantwoordelijkheid in deze waarmaken als hij weet wáár op klinische gronden een fractuur vermoed wordt.
Daartoe is een stringente indicatiestelling door de aanvrager noodzakelijk (zie bv. ref. 1).
Op het aanvraagbriefje moet derhalve vermeld worden:
- waar de fractuur zich waarschijnlijk bevindt.
- hoe lang geleden het trauma heeft plaats gevonden.
- om wat voor soort trauma het gaat.
- een verzoek om bericht wat er met de patiënt moet gebeuren indien bij het röntgenonderzoek een fractuur geconstateerd wordt.

Onderzoeken
Naarmate röntgenonderzoek minder gericht wordt aangevraagd neemt de zin van de onderzoeksaanvraag af. Het is bv. bekend dat patiënten, die na een enkeltrauma nog op het aangedane been kunnen staan en geen drukpijnlijke laterale malleolus of distale fibula hebben, slechts in 0,6% van de gevallen een fractuur hebben; het maken van routine-enkelfoto's na enkelverstuiking heeft dan ook geen zin. Röntgenonderzoek naar therapeutisch niet relevante (= beïnvloedbare) fracturen heeft slechts prognostische betekenis en dient zo mogelijk vermeden te worden.
Rib-, os coccygis- en neusbeenfracturen zijn daar een voorbeeld van. Ook schedelfoto's na een gering schedeltrauma dienen vermeden te worden. Men beseffe ook dat bepaalde fracturen radiologisch soms moeilijk te diagnosticeren zijn en makkelijk gemist kunnen worden. Indien de huisarts op klinische gronden denkt aan zo'n fractuur en de röntgenuitslag negatief is, kan het bij aanhoudende klachten soms verstandig zijn contact op te nemen met de radioloog met het verzoek de foto's nog eens te beoordelen. Het gaat dan met name om fracturen van het radiuskopje, het os naviculare, inhameringsfracturen en het collum femoris en om letsels van de cervicale wervelkolom of tibiaplateau.


Figuur 1.
Röntgenfoto's van een pols in voorachterwaartse (1a) en zijdelingse (1b) richting. De fractuur is alleen goed op de zijdelingse
foto zichtbaar.

Bij een krachtig inwerkend trauma zal de zwakste schakel in het bewegingsapparaat het begeven. Bij een volwassen persoon met een normale skeletontwikkeling zijn de weke delen de zwakste component met als gevolg dat ligamentrupturen en peesletsels (distorsies e.d.) vaker voorkomen dan fracturen. Bij kinderen en adolescenten evenwel is de nog niet gefuseerde epifysairschijf of de apofyse de zwakste schakel.
Epifysiolyses, eventueel gepaard gaande met metafysaire afscheuringsfractuurtjes, worden daarom op jeugdige leeftijd vaker gezien. Polsfracturen zijn goed diagnosticeerbaar met röntgenonderzoek (figuur 1). De aard van het letsel hangt af van de richting van het uitgeoefende geweld en de leeftijd van de patiënt.
Tussen 4 en 10 jaar zien we vooral fracturen van de metafyse van radius en ulna, van 11 tot 16 jaar een epifysiolysis van de distale radius en van 17 tot 40 jaar een naviculare (scaphoïd) fractuur of andere carpale letsels. Boven de 40 jaar worden vooral polsfracturen gezien.
Naviculare fracturen. Enkele dagen na de fractuur treedt enige resorptie op van de fractuurranden en wordt de fractuur beter zichtbaar. Dit betekent dat zij in het acute stadium radiologisch nog moeilijk diagnosticeerbaar zijn. Bij een normale röntgenfoto in de beginfase en klinische verdenking op een naviculare fractuur zal de foto ter uitsluiting van de fractuur na 7 à 8 dagen derhalve herhaald moet worden.
Elleboogfracturen bevinden zich op kinderleeftijd meestal ter hoogte van de humeruscondylen en bij volwassenen in het radiuskopje. Deze fracturen zijn vaak moeilijk herkenbaar. Een weke delen zwelling is dan het enige röntgenteken dat aangeeft dat er sprake kan zijn van een botletsel.
Heupfracturen
komen steeds vaker voor (vergrijzing, osteoporose). Ze zijn meestal eenvoudig te diagnosticeren behoudens de mediale collumfractuur (inhameringsfractuur) die nog wel eens gemist wordt.
Vermoeidheids- of marsfracturen worden wel gezien na frequent kleine traumata. Ze treden soms op na langdurig lopen in het 2e en 3e os metatarsale. Karakteristiek is dat niet de fractuurlijn zelf zichtbaar is maar wel de peri-ostale botnieuwvorming rond het fractuurvlak.
Fracturen van het wervellichaam zijn meestal goed zichtbaar maar indien de fractuur in de wervelboog zit wordt het moeilijker. De precieze uitbreiding van de fractuur dient dan goed afgebeeld te worden om na te gaan of de wervelkolom nog stabiel is. Bij het aanvragen van röntgenonderzoek ter uitsluiting van een wervelfractuur dient nauwkeurig de aard van het trauma omschreven te worden.

Verder in deze paragraaf:

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl