18.1  diagnostiek met beeldvorming

- 18 Diagnostiek met beeldvorming
- 18.1 Beeldvormende diagnostiek voor de huisarts
- 18.1.2 Pathologie en praktische diagnostiek
- 18.1.2.6 Mamma

 

18.1.2.6 Mamma

Bij premenopauzale vrouwen is het beste moment voor mammografie de eerste week na het begin van de menstruatie omdat de dichtheid van het mammaweefsel (onder invloed van de menstruele cyclus) dan het minst is.
Na de menopauze involueert het klierweefsel meestal en wordt het vervangen door vetweefsel. De mamma wordt daardoor minder dicht en dan zijn zelfs kleine tumoren gemakkelijk te herkennen. Algemeen kan gesteld worden: de betrouwbaarheid van mammografie neemt toe met het stijgen van de leeftijd van de vrouw - de betrouwbaarheid is met name postmenopauzaal hoger dan premenopauzaal. Naarmate de mamma radiologisch dichter is, bv. tengevolge van dicht klierweefsel of mastopathie, is een tumor mammografisch moeilijker te herkennen en wordt het mammogram minder betrouwbaar.

Of een palpabele afwijking in de borst goedaardig of kwaadaardig is kan met een grote mate van waarschijnlijkheid met mammografie worden bepaald.
Een tumor is echter pas palpabel bij een diameter van 1 cm, als vlak onder de huid gelegen reeds vanaf 0,5 cm. Bij optimale techniek is het in de meeste gevallen mogelijk ook kleinere tumoren op te sporen: vanaf 0,5 cm in diameter. Op de röntgenfoto manifesteren de tumoren zich als een abnormale verdichting in het klierweefsel waarin zich vaak een groepje kenmerkende microcalcificaties bevindt. Soms zijn alleen de microcalcificaties zichtbaar.
Wat de kleine groep (5%) van de palpabele mammacarcinomen, die mammografisch onzichtbaar zijn, betreft: bij een negatief mammogram is een maligne tumor dus niet uitgesloten. Vooral het lobulaire carcinoom kan, ondanks een diameter van verscheidene centimeters, radiologisch occult blijven. Dit komt premenopauzaal en vooral bij vrouwen met mastopathie vaker voor dan na de menopauze.
Een palpabele tumor moet dus ook bij een normaal mammogram altijd nader onderzocht worden. Echografie is dan het onderzoek van eerste keuze. Vaak betreft het immers cysten en die zijn echografisch in tegenstelling tot op het mammogram altijd zichtbaar. Indien de tumor echografisch solide is of niet afdoende verklaard kan worden is een punctie of biopsie aangewezen. In 1 - 2% van de gevallen wordt bij patiënten met een klinisch vastgesteld mammacarcinoom met mammografie ook een (nog niet papabel) carcinoom in de andere borst geconstateerd.

De relatie tussen prognose en tumorgrootte op het moment van diagnose vraagt om vroegdiagnostiek. De zeer hoge validiteit en geringe belasting van mammografie laten een ruime indicatiestelling van mammografisch onderzoek toe. De volgende indicaties voor mammografie kunnen dan ook genoemd worden:
1. elke palpabele afwijking in de mamma.
NB. Bij een vrouw boven de 60 jaar is een palpabele mammatumor in 50% van de gevallen maligne.
2. elke lokale huidverandering van de mamma.
3. elke palpatoire/zichtbare tepelafwijking.
4. eenzijdig tepeluitvloed.
5. alle mammaklachten bij vrouwen boven de 35 jaar, ook carcinofobie. Een en ander mede afhankelijk van de aanwezigheid van bepaalde risicofactoren (familiaire belasting: d.w.z. moeder of zuster, een vroegere behandeling voor mammacarcinoom).
6. follow-up (contralaterale mamma) na doorgemaakt mammacarcinoom.
Het stellen van een indicatie voor echografie van de mamma kan het beste aan de radioloog overgelaten worden. Hij gebruikt echografie voor het verkrijgen van aanvullende informatie (solide versus cysteus) naast mammogram en palpatie.

Screenen op mammacarcinoom
Gezien hoge sensitiviteit (92 - 95%) en specificiteit (ca. 98%) is screenen met mammografie volledig verantwoord en biedt zij goede kansen om door vroegdiagnostiek de sterfte aan borstkanker met ongeveer 25% terug te dringen. Bij het Nederlands bevolkingsonderzoek op mammacarcinoom worden alle vrouwen tussen de 50 en 75 jaar om de twee jaar mammografisch onderzocht.
Bij een positieve uitslag (d.w.z. dat er iets gevonden is dat nader onderzocht moet worden), krijgt de huisarts daarvan binnen 14 dagen bericht en de betrokken vrouw een dag later. Omdat bij het screeningsonderzoek slechts één foto per borst wordt gemaakt zal bij een positieve uitslag eerst een volledig mammogram (2 opnamen per borst) gemaakt moeten worden, zonodig aangevuld met detailopnamen, echografie,
enz. Aan de hand daarvan wordt dan bepaald of biopsie noodzakelijk is. Gemiddeld worden ongeveer 10 op de 1000 vrouwen doorgestuurd voor verder onderzoek en iets minder dan de helft van hen blijkt uiteindelijk mammacarcinoom te hebben. De andere helft is dus vals alarm.

Verder in deze paragraaf:

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl