19.1  Diversen

- 19 Diversen
- 19.1 Elektrolietstoornissen in de huisartsenpraktijk*
- 19.1.1 Afkortingen en nomenclatuur

 

19.1.1 Afkortingen en nomenclatuur

ACE:‘Angiotensin Converting Enzyme’; een enzym dat actief is in de vorming van angiotensine II uit angiotensine I.
ADH:antidiuretisch hormoon. De afgifte van ADH vanuit de hypofyse-achterkwab vindt enerzijds plaats door stijging van de plasma-osmolaliteit die de osmoreceptoren in de hypothalamus stimuleren en anderzijds door een verminderd effectief circulerend volume en stimulatie van drukreceptoren in de arteriële circulatie.
Aldosteron:een hormoon, geproduceerd in de bijnierschors, dat ervoor zorgt dat Na+ in de nier uit de voorurine wordt teruggeresorbeerd door uitwisseling tegen K+. Dergelijke hormonen worden tot de ‘mineraalcorticoïden’ gerekend, aldosteron is hiervan het meest actieve hormoon.
Angiotensine II: een hormoon dat een sterke vaatvernauwende werking heeft. Tevens stimuleert angiotensine II de aldosteron secretie uit de bijnierschors.
Isotone vloeistof: een vloeistof die dezelfde osmolaliteit heeft als bloed of een intracellulair medium waarmee het in contact komt.
mOsm:mosmol/l.
NSAID: niet-steroïd anti-inflammatoir geneesmiddel.
Osmolaliteit: concentratie in milli-osmolen per kg oplosmiddel. Als bij oplossen geen dissociatie (in ionen) optreedt, is het aantal mOsm gelijk aan het aantal mmol. Voorbeeld: 1 mmol glucose geeft in oplossing 1 mOsm glucose (geen dissociatie), maar 1 mmol NaCl geeft, vanwege in waterig milieu optredende dissociatie in Na+ en Cl-, 2 mOsm of 1 mOsm NaCl = 0,5 mmol NaCl.
Renine: een enzym dat actief is in de vorming van angiotensine I uit angiotensinogeen.
SIADH:‘Syndrome of Inappropriate Antidiuretic Hormone Secretion’.

Verder in deze paragraaf:
- Geen gerelateerde onderwerpen beschikbaar

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl