| ACE: | ‘Angiotensin Converting Enzyme’; een enzym dat actief is in de vorming van angiotensine II uit angiotensine I. |
| ADH: | antidiuretisch hormoon. De afgifte van ADH vanuit de hypofyse-achterkwab vindt enerzijds plaats door stijging van de plasma-osmolaliteit die de osmoreceptoren in de hypothalamus stimuleren en anderzijds door een verminderd effectief circulerend volume en stimulatie van drukreceptoren in de arteriële circulatie. |
| Aldosteron: | een hormoon, geproduceerd in de bijnierschors, dat ervoor zorgt dat Na+ in de nier uit de voorurine wordt teruggeresorbeerd door uitwisseling tegen K+. Dergelijke hormonen worden tot de ‘mineraalcorticoïden’ gerekend, aldosteron is hiervan het meest actieve hormoon. |
| Angiotensine II: | een hormoon dat een sterke vaatvernauwende werking heeft. Tevens stimuleert angiotensine II de aldosteron secretie uit de bijnierschors. |
| Isotone vloeistof: | een vloeistof die dezelfde osmolaliteit heeft als bloed of een intracellulair medium waarmee het in contact komt. |
| mOsm: | mosmol/l. |
| NSAID: | niet-steroïd anti-inflammatoir geneesmiddel. |
| Osmolaliteit: | concentratie in milli-osmolen per kg oplosmiddel. Als bij oplossen geen dissociatie (in ionen) optreedt, is het aantal mOsm gelijk aan het aantal mmol. Voorbeeld: 1 mmol glucose geeft in oplossing 1 mOsm glucose (geen dissociatie), maar 1 mmol NaCl geeft, vanwege in waterig milieu optredende dissociatie in Na+ en Cl-, 2 mOsm of 1 mOsm NaCl = 0,5 mmol NaCl. |
| Renine: | een enzym dat actief is in de vorming van angiotensine I uit angiotensinogeen. |
| SIADH: | ‘Syndrome of Inappropriate Antidiuretic Hormone Secretion’. |