 |
19.1.2.1 Mechanisme osmo-regulatie
De plasma-osmolaliteit wordt binnen nauwe marges gereguleerd en ligt normaliter tussen de 275 en 290 mOsm. Veranderingen in de plasma- osmolaliteit beïnvloeden de zg. osmo-receptoren in de hypothalamus welke op hun beurt een effect hebben op: 1. dorstgevoel en 2. de afgifte van ADH. Het dorstgevoel stimuleert tot een verhoogde water inname, terwijl ADH de water terugresorptie in de verzamelbuisjes in de nier stimuleert. De osmo-receptoren in de hypothalamus reageren alleen op veranderingen in concentraties van opgeloste deeltjes die niet vrijelijk de celmembraan kunnen passeren, dus wanneer er een osmotische gradiënt over de celmembraan ontstaat. We spreken dan ook van ‘effectieve osmolen’. De belangrijkste effectieve osmolen in het lichaam zijn de natriumzouten (NaCl, NaHCO3) en glucose. De natriumionen (Na+, met bijbehorend anion) hebben de hoogste concentratie in het extracellulaire compartiment (ca. 140 mmol/l), en zijn dus klinisch de belangrijkste effectieve osmolen. In de praktijk treedt beïnvloeding van de osmo-receptoren dan ook vooral op bij veranderingen in de plasmaconcentratie van natriumionen.
De hoeveelheid ureum draagt weliswaar ook bij aan de totale plasma-osmolaliteit, maar dit is een voorbeeld van een deeltje dat wel vrijelijk de celmembraan passeert. Een te hoge concentratie van ureum zal dus wel een hoge plasma-osmolaliteit geven, maar niet tot stimulatie van de osmo-receptoren in de hypothalamus leiden. Evenmin zal verlies van isotone vloeistof, zoals soms bv. bij diarree gezien wordt, hier een effect op hebben. Immers er ontstaat geen osmotische gradiënt over de celmembraan van de osmo-receptoren in de hypothalamus.
De osmo-regulatie in de praktijk - bij een waterbelasting zal door verdunning de effectieve plasma-osmolaliteit dalen. Het belangrijkste regelmechanisme nu is onderdrukking van afgifte van ADH. Hierdoor wordt minder water in de nier teruggeresorbeerd, en zal waterverlies d.m.v. verdunde urine ontstaan. In principe is dit een heel effectief systeem, dat pas tekort schiet als meer dan 10 liter water per dag gedronken wordt. Een chronisch verlaagde plasma-osmolaliteit wordt dan ook vooral gezien als de mogelijkheid tot het maken van verdunde urine gestoord is (bv. bij nierfunctiestoornissen, autonome ADH productie; zie verder). - wanneer een watertekort optreedt (dreigende verhoging plasma-osmolaliteit), is juist het dorstgevoel het belangrijkste regelmechanisme. Verder verlies van water zal zoveel mogelijk tegen worden gegaan door verhoogde afgifte van ADH - hierdoor zal meer water in de nier teruggeresorbeerd worden en er zal geconcentreerde urine ontstaan. Voor volledige correctie van een te hoge osmolaliteit is echter een verhoogde inname van water nodig. Hieruit volgt dan ook dat een chronisch verhoogde plasma-osmolaliteit veroorzaakt wordt door een stoornis in het dorstcentrum of omdat inname van water niet mogelijk is.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |