 |
19.1.3.2 Hypokaliëmie (<3,8 mmol/l)
Oorzaken Er zijn een viertal oorzaken te noemen: A. Veranderd transcellulair evenwicht, d.w.z. méér K+ is de cel ingegaan. Dit komt voor tijdens insuline overdosering, tijdens sympaticus activatie (bv. ß-mimetica) en tijdens alkalose. Voorbeeld: de alkalose die optreedt bij hyperventilatie, waarbij het tekort aan H+-ionen in het plasma wordt tegengegaan doordat H+-ionen de cel verlaten en tegelijkertijd K+-ionen uit het plasma de cel ingaan zodat geen ladingsverschil over de celmembraan ontstaat. Deze vormen van hypokaliëmie zijn doorgaans passagère en behoeven geen therapie. B. Verhoogde uitscheiding met de nier. Voorbeeld 1: het bekendste voorbeeld is diuretica (thiazide- en lisdiuretica) gebruik, waarbij de kaliumresorptie wordt geremd. Doordat de nier het extracellulair volumetekort, dat ontstaan is door de diuretica, tegenreguleert door een verhoogde resorptie van natriumbicarbonaat (NaHCO3), gaat deze vorm van hypokaliëmie ook met een alkalose gepaard. Voorbeeld 2: de hypokaliëmie bij frequent braken wordt ook door renaal verlies veroorzaakt. Maagsap bevat zo'n 10 mmol K+ per liter. Dit betekent dat men vele liters maagsap zou moeten verliezen voordat een belangrijk kaliumverlies optreedt. Maagsap bevat echter wel veel chloorionen (140 mmol/l Cl-). Het maagslijmvlies maakt nl. H+ en Cl- (uit H2CO3 en NaCl). Dit betekent dat voor elk gevormd chloorion ook een bicarbonaation (HCO3 -) ontstaat. Dit HCO3- kan alleen door de nier uitgescheiden worden samen met Na+, en dit leidt tot een verhoogd Na+ verlies in de voorurine. Deze verhoogde hoeveelheid Na+ in de voorurine wordt in de nier teruggeresorbeerd door uitwisseling tegen K+. Daarnaast zal vaak door een daling van het effectief circulerend volume het aldosteron gestimuleerd zijn waardoor renaal kalium verlies wordt bevorderd. Bovendien treedt door de alkalose een veranderd transcellulair evenwicht op, waarbij K+ de cel ingaat en H+-ionen de cellen verlaten. Voorbeeld 3: hypokaliëmie kan ook gevonden worden bij patiënten met hypertensie op basis van het syndroom van Conn, waarbij het plasma-aldosteron te hoog is. Dit hormoon bevordert nl. de K+ uitscheiding enerzijds en geeft natrium retentie anderzijds. Een bepaling van het plasmakalium kan zo bij de analyse van hypertensie een diagnostische clue zijn. De combinatie van hypokaliëmie en hoge bloeddruk kan ook ontstaan door overmatig gebruik van drop of zoethout. Deze producten bevatten glycyrhinezuur, dat via enkele vervolgreacties in staat is de mineraalcorticoïdreceptor te activeren (als aldosteron), zodat regelmatig en overmatig gebruik gebruik ervan het klinische beeld van een syndroom van Conn kan nabootsen. Daar cortisol in staat is de mineraalcorticoïdreceptor te activeren, treedt bij het Cushing syndroom (evenals bij prednison therapie) hypokaliëmie op. Tenslotte bestaan ook stoornissen van de nierbuisjes waarbij kaliumverlies optreedt (zg. renale tubulaire acidose). C. Verhoogde uitscheiding met de darm. it kan voorkomen bij langdurige diarree, verlies in een dunne darm stoma, en bij bepaalde darmtumoren (vipoom, villeus adenoom). Omdat darmsappen ook veel bicarbonaat bevatten, treedt dan meestal ook een acidose op. D. Heel zelden kan er een kaliumtekort ontstaan door eenzijdige voeding, zoals bv. bij anorexia nervosa. De hypokaliëmie treedt op na ongeveer 30 dagen eenzijdige voeding.
Diagnostiek De klachten die optreden bij hypokaliëmie zijn moeheid, verminderde spierkracht (soms zelfs gepaard met spiercelverval), hartritmestoornissen en paralyse. Bij de beoordeling van een (chronische) hypokaliëmie is het zinnig om een bicarbonaat (HCO3 -) te bepalen. Een verhoogd bicarbonaat geeft een indicatie over gebruik van diuretica en/of braken. Een verlaagd bicarbonaat kan duiden op een renale tubulaire acidose of kalium verlies met de darm. Een verhoogde bloeddruk kan wijzen op een syndroom van Conn of dropgebruik.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |