19.2  Diversen

- 19 Diversen
- 19.2 Enkele grondslagen van het fysiologische zuur-base evenwicht*
- 19.2.1 Afkortingen en nomenclatuur

 

19.2.1 Afkortingen en nomenclatuur

Acidose:een aandoening die gepaard gaat met overmatige productie van zuur. Dit kan leiden tot een pH waarde van bloed lager dan 7,35 (= ondergrens referentiegebied).
Alkalose: een aandoening die gepaard gaat met overmatig verlies van zuur. Dit kan leiden tot een pH waarde van bloed hoger dan 7,45 (= bovengrens referentiegebied).
‘Anion-gap’:het verschil tussen de concentratie van Na+ en de som van de concentraties van de anionen Cl- en HCO3- (in plasma, in mmol/l). In formule: Na+ - [Cl- + HCO3-].
Base: een opgeloste stof die, bij een bepaalde pH, in staat is H+-ionen op te nemen (absorberen). Een base is zwak als het een (zeer) beperkte capaciteit hiertoe heeft. Voorbeelden van stoffen die als zwakke basen optreden: negatief geladen eiwitten (bv. Hb-), bicarbonaation (HCO3-).
Basisch: pH >7,0.
Buffer: een systeem van 2 opgeloste componenten: een zwak zuur en een daarvan afgeleide zwakke base c.q. zout. Met zulk een systeem kunnen toegevoegde H+-ionen worden opgevangen en zodoende geneutraliseerd worden (mits niet teveel H+- ionen worden toegevoegd). Anderzijds compenseert een buffersysteem de aan de oplossing onttrokken H+-ionen door hernieuwde afgifte ervan. Het gevolg is dat de pH (nagenoeg) constant blijft ondanks toevoeging of onttrekking van H+-ionen aan de oplossing. Iedere buffer heeft zijn eigen buffertraject, een nauw traject van ca. 2 pH eenheden (bv. tussen pH 4,0 en 6,0), dat hij kan handhaven. Bij de optimale pH werking van een buffer (in middenstuk van het traject) zijn de concentraties van de 2 componenten gelijk.
HbH/Hbbuffer: een in de erytrocyt aanwezige buffer met als componenten het negatief geladen hemoglobine (Hb-) en HbH.
H2CO3/HCO3-buffer: belangrijkste fysiologische buffer met als componenten de zwakke base HCO3- en het zwakke zuur H2CO3. Buffertraject: 6,1 ± 1,0.
Koolzuuranhydrase:een enzym dat snelle vorming van H2CO3 uit CO2 en H2O katalyseert (zie vgl (a) in par. 2A). Het enzym komt voor o.a. in de erytrocyt en niertubuluscellen.
kPa:kilo-Pascal. De Pascal is een eenheid van gasdruk. 1 kPa = 7,502 mmHg.
pCO2: het ademhalingscentrum houdt in rusttoestand de druk van CO2 in de alveoli op ca. 40 mmHg (= 5,33 kPa), althans op zeeniveau. Snelle afgifte van (aan Hb gebonden) CO2 door de erytrocyten is hiervoor noodzakelijk. Soms treft men paCO2 aan (a voor arterie) daar pCO2 het beste in arteriëel bloed gemeten kan worden
pCO2: pH: de concentratie van waterstofionen (H+) wordt niet in hoeveelheden mmol/l uitgedrukt, doch om praktische redenen in een
logaritmische afgeleide hiervan: de pH (tabel 1). Het is duidelijk dat gelijke stappen in pH waarden (bv. van 0,3) niet overeenkomen met gelijke veranderingen in de concentratie van H+. Hiermede niet rekening houden kan gemakkelijk leiden tot onderschatting van de ernst van een acidose c.q. alkalose.
Zuur:een opgeloste stof die, bij een bepaalde pH, in staat is H+-ionen aan de oplossing af te staan. Een zwak zuur heeft hiertoe een (zeer) beperkte capaciteit, een sterk zuur een grote capaciteit. Voorbeelden van stoffen die als zwakke zuren optreden: Hb, H2CO3. Voorbeeld van een sterk zuur: melkzuur.

Verder in deze paragraaf:
- Geen gerelateerde onderwerpen beschikbaar

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl