 |
19.3.3.1 Predictieve waarden
Zoals gezegd in par. 1, is de arts in praktijk geïnteresseerd in de kans op ziekte vóórafgaande aan een test (vóórafkans) en de kans op ziekte gegeven een bepaalde testuitslag (achteraf-kans ofwel predictieve of voorspellende waarde van een testuitslag). We lichten dit toe aan de hand van tabel 1. Tabel 1 geeft het resultaat van een (fictief) onderzoek onder 140 patiënten die de huisarts bezochten met een rood, gezwollen been en verdacht waren op aanwezigheid van diep veneuze trombose (DVT). In deze tabel staat de relatie weergegeven tussen de d-dimeer testuitslag gecodeerd als positief (afwijkend) versus negatief (normaal) en de werkelijke aan/afwezigheid van (proximale) DVT zoals gemeten met herhaalde echografie van de benen. Tabel 1. Voorbeeld van de relatie tussen de d-dimeer testuitslag en de werkelijke aan/afwezigheid van proximale diep veneuze trombose (DVT), zoals gemeten met herhaalde compressie ultrasound van de benen (referentie test), in 140 patiënten die verdacht waren voor het hebben van DVT in de huisarts praktijk. Het eerste getal in elke cel geeft het absolute aantal patiënten weer (bv. in de linkerboven cel 77 patiënten), het tweede getal de rij-percentages (bv. 77/113 = 68,1%), en het derde getal de kolom-percentages (bv. 77/102 = 75,5%). Voor verdere uitleg en interpretatie van deze verschillende percentages zie tekst in de komende paragrafen. | | DVT | | | | Nee | Ja | Totaaal | | D-dimeer | Positief | 77 68,1% 75,5% | 36 31,9% 94,7% | 113 100,00% 80,7% | | Negatief | 25 92,6% 24,5% | 2 7,4% 5,3% | 27 100,0% 19,3% | | Totaal | | 102 72,9% 100,0% | 38 27,1% 100,0% | 140 100,0% 100,0% |
Bij mensen in de huisartspraktijk met een verdenking van DVT blijkt de vóórafkans op het werkelijk hebben van DVT 38/140 = 27% te zijn. Het zou mooi zijn indien de huisarts met eenvoudige testjes deze kans zodanig kan verlagen of verhogen dat een diagnose gesteld zou kunnen worden zonder de patiënten te hoeven doorverwijzen voor herhaalde echografie van de benen (referentiemethode). Een test heeft dus diagnostische waarde indien haar uitslagen de kans op ziekte (op basis van vóórafgaande informatie) kunnen verhogen of verlagen. Eén van de huidige diagnostische mogelijkheden in ons voorbeeld is de d-dimeer test. Tabel 1 geeft aan dat de kans op DVT bij een positieve (hoge) d-dimeer uitslag (afgerond) 32% is en bij een negatieve (normale) uitslag (afgerond) 7%. Hieruit blijkt dat de d-dimeer test redelijkerwijs in staat is de aanwezigheid van DVT uit te sluiten maar vrijwel niet in staat is de aanwezigheid ervan aan te tonen; de predictieve waarde ofwel achteraf-kans van een positieve uitslag is vrijwel gelijk aan de vóóraf-kans. In geval van een dichotome test, d.w.z. met twee testuitslagen (positief versus negatief), zoals in tabel 1, noemt men de twee predictieve waarden ook wel de positief (PPW) resp. negatief predictieve waarde (NPW). De PPW = de kans op aanwezigheid van ziekte bij een positieve testuitslag (in tabel 1; 36/113 = 31,9%, het rijpercentage in de rechter-boven cel). De NPW = de kans op aanwezigheid van ziekte bij een negatieve testuitslag (in tabel 1; 2/27 = 7,4%). In plaats van deze definitie van de NPW wordt ook vaak het complement gebruikt voor de definitie van de NPW: de kans op afwezigheid van ziekte in geval van een negatieve testuitslag. In tabel 1 zou dat 25/27 = 92,6% zijn (ofwel 100%-7,4%). Ga zelf na dat in tabel 1 de kans op afwezigheid van ziekte bij een positieve testuitslag gelijk is aan 77/113 = 68,1% (ofwel 100%-31,9%). Indien een test meer dan twee testuitslagen kent, (bijvoorbeeld sterk afwijkend, matig afwijkend, niet afwijkend ofwel in geval van beeldvormend diagnostiek ziekte zeker afwezig, waarschijnlijk afwezig, waarschijnlijk aanwezig, zeker aanwezig) dient men per testuitslag de achteraf-kans ofwel predictieve waarde op ziekte te berekenen en te vergelijken met de vóóraf-kans. Eventueel kan men categorieën van verschillende testuitslagen maar met dezelfde predictieve waarde samenvoegen tot 1 uitslagcategorie. Aangezien geen enkele diagnose wordt gebaseerd op één testuitslag is de arts in praktijk geïnteresseerd in kennis over de kans op aan- en afwezigheid van de ziekte bij bepaalde combinaties van patiëntkenmerken en testuitslagen. Wij gaan hier verder op in in ‘Toegevoegde waarde van een test en kans op aanwezigheid van ziekte voor combinaties van testuitslagen’.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |