2.1  Hemostase en trombose

- 2 Hemostase en trombose
- 2.1 Hemostase en trombose- onderzoek
- 2.1.2 Diagnostiek
- 2.1.2.2 Diagnostiek naar een verhoogde tromboseneiging

 

2.1.2.2 Diagnostiek naar een verhoogde tromboseneiging

De diagnostiek naar een verhoogde tromboseneiging is gericht op het vaststellen van (veelal aangeboren) tekorten of defecten in antistollende eiwitten. De belangrijkste risicofactoren voor trombose (die vooral gelden voor een verhoogde kans op veneuze trombo-embolie) staan vermeld in tabel 2.

Toelichting tabel 2
- een deficiëntie van antitrombine III, proteïne C of proteïne S leidt tot een verminderde remming van geactiveerde stollingsfactoren en dus tot een verhoogde stollingsactivatie.
- een geheel ander mechanisme ligt ten grondslag aan de factor V Leiden mutatie. Hierbij is de belangrijke stollingsco-factor V verminderd gevoelig voor de remmende werking van het geactiveerde proteïne C. De factor V Leiden mutatie leidt dus tot APC-resistentie.
- de protrombine 20210 mutatie leidt tot licht verhoogde waarden van factor II en heeft, mogelijk door dit maar ook mogelijk door een ander, nog onduidelijk mechanisme een protrombotisch effect.
- een dysfibrinogenemie is een uiterst zeldzame aandoening en kan ofwel bloedingen ofwel een verhoogde stollinsneiging met zich meebrengen. Een dysfibrinogenemie wordt aangetoond met een gestoorde trombine tijd.
- hyperhomocysteïnemie wordt meestal aangetoond door verhoogde homocysteïne waarden bij een methionine belastingstest.

Verder in deze paragraaf:

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2010 SAN - info@de-san.nl