3.1.2.1 Anamnese en eerste onderzoek
Algemene aandachtspunten - Patiënten met diabetes type 1 of type 2 lopen een zeer ernstig risico op de ontwikkeling van hypertensie. Het risico op HVZ is bij patiënten met diabetes type 2 extreem hoog. Verlaging van de hypertensie, het volgen van strikte leefregels enz. kan leiden tot forse vermindering van het risico op HVZ, retinopathie, neuropathie en nefropathie (1).Uit dien hoofde is een behandeling alleen gericht op het verlagen van de hyperglycemie bij lange na niet voldoende. - Diabetes type 2 is een aandoening die in de beginfase jaren lang symptoomloos kan verlopen met onderwijl een zich langzaam uitbreidende orgaanschade.
Diabetes type 2 Patiënten met eerste symptomen Symptomen als dorst, poly-urie, polydipsie treden bij diabetes m. type 2 pas op als de hyperglycemie al een niveau heeft bereikt in de orde van 15 - 20 mmol/l. Andere symptomen in dit verband zijn: moeheid, veelvuldige urinewegc. q. schimmelinfecties, vertraagde wondgenezing, koude voeten, neurogene pijnen. In enkele gevallen is dubbelzien het eerste symptoom. Een eerste stap bij verdenking is de bepaling van glucose. Symptoomloze risicodragers Gezien de aanvankelijk symptoomloos verlopende ontwikkeling van diabetes type 2 en de daarmee gepaard gaande risico’s verdient het aanbeveling gericht te zoeken naar hyperglycemie in personen (zonder klachten) die tot hoog risico categorieën behoren. Als zodanig beveelt de NHG-standaard (3) iedere drie jaar het nuchtere glucosegehalte te bepalen bij personen ouder dan 45 jaar met: - positieve familie-anamnese voor diabetes type 2 (ouders, broers of zusters). - hypertensie. - manifeste hart- en vaatziekten. - stoornissen in de vetstofwisseling. - etnische belasting (bv. indoestaanse afkomst). - obesitas, d.w.z. Quetelet index (= kg/m2) >27. - zwangerschapsdiabetes in het verleden. Ook zij die te zware kinderen (>4000 g) hebben gebaard worden als risicodrager beschouwd. Kanttekeningen bij de glucose bepaling Monster De glucoseconcentratie, gewoonlijk kortweg ‘het glucosegehalte’ genoemd, kan gemeten worden in veneus afgenomen volbloed of plasma of in capillair afgenomen volbloed. In Nederland bepalen de laboratoria bijna uitsluitend in veneus plasma. 
De waarden gemeten in volbloed liggen ca.10 - 15% lager dan die gemeten in plasma (althans bij normale hematocrietwaarde). De waarden in capillair afgenomen volbloed liggen gemiddeld ca. 8% hoger dan in veneus bloed als de afname post prandiaal was. Als de afname nuchter was zijn de verschillen verwaarloosbaar. Bij de interpretatie moet derhalve bekend zijn: of eveneus of capillair bloed afgenomen is, of de bepaling in volbloed of plasma is uitgevoerd en of de patiënt al dan niet nuchter was e.d. en op welk soort monsters de re rentiewaarden betrekking hebben. Nuchter, post prandiaal of willekeurig tijdstip De voorkeur gaat uit naar de bepaling van de nuchtere glucose. Als patiënt ‘s middags op spreekuur komt, kan een ‘willekeurig monster’ worden afgenomen. Als de uitslag twijfelachtig is (bv. rondom de grenswaarden, zie par. 3) dan komt de patiënt enkele dagen later terug voor een nuchtere glucose. Bloedglucosemeters In de praktijk worden soms zg. glucosemeters gebruikt. Men houde er rekening mee dat dergelijke meters een betrouwbaarheidsmarge van ca.15% hebben. Bovendien kan het voorkomen dat bloedsuikermeters verschillend kunnen zijn afgeijkt (op bloed- resp. plasmawaarden) waardoor onderlinge verschillen in meetresultaten van ruim 10% kunnen optreden. Dat betekent dat vooral bij uitslagen rondom diagnostische grenswaarden het gewenst is de glucose nogmaals te laten bepalen in het laboratorium ter confirmatie c.q. uitsluiting. Het kan van belang zijn regelmatig deze meters te laten ijken op het laboratorium.
Verder in deze paragraaf:
- Geen gerelateerde onderwerpen beschikbaar
 |
Print deze pagina |
|