3.1.3.3 Follow-up instelling
In principe komen dezelfde onderzoeken als genoemd onder ‘Vervolgonderzoeken’ in aanmerking voor periodieke controle. Wat betreft de laboratorium-onderzoeken beveelt de NHG standaard bij type 2 patiënten zonder klachten aan: - driemaandelijks nuchtere glucose en - jaarlijks HbA1c, kreatinine(-klaring) en cholesterol. Het is zinvol tegelijk met de afname voor HbA1c ook bloed af te laten nemen voor een (nuchtere) glucose bepaling. Bij tussentijds optredende aandoeningen die de glucose homeostase kunnen verstoren en bij (verdenking op) ontregelingen zijn deze onderzoeken veel frequenter te verrichten. Ontregelingen zijn te verwachten bij oudere patiënten die wegens ziekte met hun medicatie stoppen. Voor de begeleiding van patiënten die op insuline zijn ingesteld moet worden afgegaan op dagcurves (4x per dag, nuchter en 2 uur na iedere maaltijd). HbA1c Met de HbA1c bepaling kan de glycemische instelling over de vóórafgaande periode van ca. 6 - 8 weken objectief geëvalueerd worden. De tijdsduur tussen twee onderzoeken van het HbA1c dient derhalve minstens 8 weken te zijn. De streefwaarden zijn in het kader aangegeven. - als de HbA1c waarde hoger is dan verwacht kon worden op grond van de (eerdere) nuchtere glucose waarden: afname en HbA1c bepaling herhalen. Indien de discrepantie bevestigd wordt, zijn de mogelijkheden: * episode(n) in voorafgaande weken met een te hoge glucosegehalte. * de patiënt was alleen kort vóór de controle therapie-trouw. - als de HbA1c waarde lager is dan verwacht kon worden op grond van de glucose uitslagen tijdens (eerdere) controle: afname en de HbA1c bepaling herhalen. Indien bevestigd, zijn de mogelijkheden: * patiënt was vóór de controle niet nuchter of had zijn voorgeschreven medicatie niet ingenomen. * (bv. nachtelijke) hypoglycemieën zijn (vrij vaak) opgetreden. * er is sprake van een verkorte levensduur van de erytrocyten, bv. door hemolyse door malaria of door geneesmiddelen of er is een chronisch gastro-intestinaal bloedverlies.
Voorts zij men er op bedacht dat sommige bepalingsmethodieken onjuiste uitslagen kunnen geven bij hemoglobinopathieën en dat voor de HbA1c bepaling diverse methoden in zwang zijn zodat vergelijking met een uitslag, verkregen van een ander monster van de patiënt in een ander laboratorium, misleidend kan zijn (de verschillen kunnen tot 2% bedragen). Voor sommige laboratoria gelden referentiewaarden tussen 4 en 6%, voor andere 5 - 7%. Er bestaat namelijk nog geen gestandaardiseerde methode voor de bepaling van HbA1c. Micro-albuminurie Voorbijgaande albuminurie - d.w.z. zonder nierpathologie- kan voorkomen kort (minder dan 1 uur) na opstaan vanuit een ligpositie (‘orthostatische proteïnurie’), bij koorts of acute ziekte en (enkele uren) na sterke inspanning. Micro-albuminurie kan gevonden worden bij nieraandoeningen, bv. als gevolg van immuunziekten (IgA nefropathie, M. Wegener, reumatoïde artritis), als gevolg van diabetes of bij gebruik van nefrotoxische geneesmiddelen. Albuminurie komt ook voor bij niet-renale ziekten zoals blaastumor, longkanker, hypertensie, myocardinfarct en sikkelcelziekte. Bij diabetes kan een (tweemaal bevestigde) micro-albuminurie beschouwd worden als een sterke aanwijzing voor het vroegtijdig optreden van cardiovasculaire ziekten en zelfs sterfte. Bij type 2 diabetes is de samenhang tussen microalbuminurie en nierbeschadiging niet duidelijk.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|