3.1.5.1 HbA1c
Glucose bindt zich langzaam aan eiwitten, bv. Hb, onder vorming van zg. geglycoseerde eiwitten. Factoren als de concentratie van glucose en de tijdsduur, gedurende welke de reactie kan plaats hebben, bepalen het percentage glycosylering en dus in geval van Hb het niveau van het HbA1c. Kort gezegd: een sterke stijging van de glucoseconcentratie gedurende slechts 1 week produceert eenzelfde HbA1c (%) als een matig verhoogde concentratie gedurende ca. 2 - 3 weken of een geringe verhoging van de concentratie gedurende ca. 6 - 8 weken. Een gedurende enige tijd bestaande hypoglycemie resulteert in een verlaagd HbA1c. Een periode van frequent sterk variërende glucoseconcentratie kan derhalve als ‘optelsom’ een misleidend gering verhoogde HbA1c leveren. Met de ‘levensduur’ van het Hb hangt samen dat het % geglycosyleerd Hb niet met een kortere tussenpoos dan 8 - 12 weken bepaald mag worden. Als het Hb korter dan normaal in de circulatie verblijft (door bv. verhoogde afbraak van erytrocyten) wordt het % glycosylering ger, bij een langer verblijf hoger. Voorbeelden: bij hemolyse geeft HbA1c een fout-verlaagd beeld van de gemiddelde glucoseconcentratie over de afgelopen 8 weken; bij een ijzergebreksanemie een fout-verhoogde.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|