3.2.2.2 Onderzoek
De bloedafneming voor bepaling van de schildklierfunctieparameters (TSH, FT4) kan gebeuren op ieder tijdstip van de dag onafhankelijk van de maaltijden; de bepalingen kunnen worden gedaan in serum of in plasma. Door middel van de TSH bepaling is het vrijwel altijd mogelijk met een grote mate van zekerheid bij ambulante patiënten met klinische verdenking de diagnose hyperthyreoïdie en hypothyreoïdie te stellen c.q. uit te sluiten. Ook bij chronisch zieke, bedlegerige patiënten of bij het gebruik van geneesmiddelen of contraceptiva onderscheidt deze TSH bepaling heel goed tussen normale en afwijkende schildklierfunctie. Als het resultaat van de TSH bepaling normaal is, is verder onderzoek van de schildklierfunctie niet nodig. Bij te hoge of te lage TSH waarden of bij ‘borderline’ lage c.q. hoge TSH waarden dient het onderzoek verder uitgebreid te worden met een FT4 bepaling (zie stroomdiagram). Opmerking: de diagnostiek van CHT wordt in par. 4 behandeld.

FT3 In gevallen van een vroeg stadium van een zich ontwikkelende hyperthyreoïdie kan men een verhoogde FT3 aantreffen met een (nog) normale FT4-concentratie. Het betreft een situatie, waarin de TSH-concentratie zich aan de onderkant van het referentiegebied bevindt of al reeds enigermate gesupprimeerd is. Daar de ontwikkeling tot een hyperthyreoïdie in de regel langzaam verloopt, kan men afwachten en daarna opnieuw een TSH bepalen.  Men zij er bij aanvragen van FT3 echter op bedacht dat verschillende, onder par. 3 vermelde, condities een verlagend effect op de FT3 - concentratie hebben. De waarde van de FT3 bepaling in de eerste lijn is derhalve beperkt.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|