 |
3.2.2.3 Follow-up van behandeling
Belang van FT4 bepaling De therapie bij patiënten met een hypothyreoïdie bestaat uit het toedienen van levothyroxine tot een adequate instelling is bereikt, d.w.z. een zodanige dosering dat de concentraties in bloed van FT4 - en uiteindelijk van TSH - in het normale gebied liggen. 
Tijdens de instelling dienen zowel TSH als FT4 regelmatig gecontroleerd te worden. Al is het streven het bereiken van een normale TSH, de instelling geschiedt in het bijzonder op geleide van waarden van FT4 totdat deze parameter zich heeft genormaliseerd (zie par. 5). Na instelling is controle van TSH 1 à 2 maal per jaar meestal voldoende. Bij patiënten met een hyperthyreoïdie, bij wie de schildklieractiviteit eerst gesupprimeerd werd met een thyreostaticum, geldt eveneens dat de instelling van l-thyroxine voornamelijk op geleide van FT4 geschiedt. Ook hier geldt dat, als een normale FT4 bereikt is, het nog weken tot zelfs maanden kan duren alvorens de TSH-concentratie zich heeft gestabiliseerd. Leucocytendifferentiatie Een zeer klein deel (0,01%) van de patiënten, die behandeld worden met thyreostatica, krijgt in de eerste 6 - 12 weken agranulocytose (als ernstigste complicatie). Het periodiek tellen van de leukocyten en verrichten van een differentiatie heeft niettemin weinig zin daar dit ernstige verschijnsel bijna altijd plotseling opkomt. Het is wel raadzaam om patiënten, die thyreostatica innemen, meermalen met klem er op te wijzen dat de medicatie gestaakt moet worden als zich keelpijn, hoge koorts en heftig jeukend exantheem voordoen en dat zij terstond contact opnemen met de behandelende arts.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |