3.3.2.4 Biometrie
Botdensitometrie Voor het aantonen van een vermindering van het botmineraalgehalte van het skelet en een verhoging van het fractuurrisico zijn QCT, DXA en SXA goede technieken. Gezien de beschikbaarheid en ervaring met DXA zal deze techniek over het algemeen de voorkeur hebben. De lumbale wervels en de heup zijn daarbij de belangrijkste meetlokaties, omdat op deze plaatsen de klinisch meest relevante fracturen optreden. De DXA meting van de wervelkolom wordt op hogere leeftijd toenemend onbetrouwbaar als voorspeller van fracturen door frequente aanwezigheid van artrose en extra-ossale verkalkingen. Om deze reden lijkt het te verkiezen om boven het 60ste levensjaar de BMD van de heup te meten. Het botverlies in het trabeculaire bot van de wervels valt doorgaans eerder te meten dan in de heup. Daarom heeft de meting van de wervels bij vrouwen onder het 60ste levensjaar de voorkeur, mits er geen aanwijzingen zijn voor degeneratieve veranderingen ter plaatse. Patiënten met fracturen na relatief gering trauma Voor de bevestiging v de diagnose osteoporose dient een meting van de BMD te worden verricht. Over het algemeen zal hiervoor gebruikt gemaakt worden van de DXA techniek. De patiëntengroepen waarbij in ieder geval een degelijke meting overwogen moet worden zijn: - vrouwen met een doorgemaakte fractuur na het 50ste jaar. - vrouwen met een doorgemaakte wervelfractuur ongeacht de leeftijd. Patiënten met mogelijk osteoporotische wervelfracturen Voor het bevestigen van de diagnose osteoporotische wervelfracturen is een zijdelingse röntgenfoto van thoracolumbale wervelkolom van belang: ten eerste kan een indruk worden verkregen van de aanwezigheid van wervelvervormingen en ten tweede kunnen andere oorzaken van rugklachten (bv. spondylartrose, discopathie, botmetastasen, hyperparathyreoïdie, M. Paget) op deze manier worden uitgesloten. Bij twijfel kan een meting van de BMD worden verricht om de diagnose osteoporose te bevestigen.
Personen met een verhoogde fractuurkans Schattingen van de voorspellende waarde van fracturen middels de bep ing van de BMD laten zien dat de specificiteit hoog is, maar de sensitiviteit laag. Dit betekent dat als de botdichtheid niet verlaagd is, de kans op een fractuur klein is. De helft van de fracturen zal echter voorkomen in de groep met normale botdichtheid. Praktisch betekent dit dat een botdichtheidsmeting alleen nuttig is als de ‘vóórafkans’ op een fractuur hoog is. De belangrijkste risicofactoren voor osteoporotische fracturen in de algemene bevolking zijn: - een eerdere wervelfractuur. - een fractuur na het 50ste levensjaar. - een osteoporotische heupfractuur van de moeder. - een laag lichaamsgewicht. - ernstige immobiliteit en - langdurig gebruik (>3 maanden) van orale corticosteroïden. De patiëntengroepen met een verhoogd risico op osteoporotische fracturen in de algemene bevolking die volgens de tweede herziene richtlijn ‘Osteoporose’ in aanmerking zouden moeten komen voor een BMD bepaling zijn samengevat in tabel 2. Daarnaast valt bij patiënten met aandoeningen die secundaire osteoporose veroorzaken n BMD bepaling te overwegen (tabel 3). Gezien het feit dat de huisarts deze aandoeningen maar zelden ziet, valt aan te bevelen ook de behandeling van de osteoporose in deze gevallen over te laten aan de tweede lijn. Ook bij langdurig oraal corticosteroïdgebruik van meer dan 7,5 mg prednisonequivalent per dag is het risico op osteoporotische fracturen sterk verhoogd. De tweede herziene richtlijn voor osteoporose adviseert om bij postmenopauzalevrouwen en mannen ouder dan 70 jaar die deze medicatie voorgeschreven krijgen en waarvan verwacht wordt dat deze medicatie langer dan drie maanden gebruikt zal gaan worden, gelijktijdig aanvullende maatregelen ter preventie van osteoporose te overwegen. Bij premenopauzale vrouwen en mannen jonger dan 70 jaar zou preventieve behandeling alleen geïndiceerd zijn bij de aanwezigheid van een verlaagd BMD (T-score <-2,5).
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|