3.4  Endocrinologische onderwerpen

- 3 Endocrinologische onderwerpen
- 3.4 Enkele speciale endocrinologische processen en minder voorkomende endocrinlogische afwijkingen*
- 3.4.2 Hypoglycemieën
- 3.4.2.5 Laboratoriumonderzoek

 

3.4.2.5 Laboratoriumonderzoek

Bij de interpretatie van laboratoriumuitslagen speelt het een essentiële rol of de monsters zijn afgenomen bij een nuchtere patiënt c.q. na langer vasten of dat zij zijn afgenomen na een maaltijd c.q. glucosebelasting.

Reactieve hyperinsulinemie
Als eerste stap kan een orale GTT (met 75 g glucose, voor uitvoering in gestandaardiseerde vorm laten verrichten, waarbij gedurende 3 uur na belasting om de 30 minuten bloed wordt afgenomen voor de bepaling van glucose en insuline. Van reactieve hyperinsulinemie is sprake als binnen 60 min. een insulinepiek optreedt (>100 mE/l) en in de overeenkomstige monsters de glucoseconcentratie verlaagd (<2 mmol/l) is.

Patiënten met obesitas vertonen een glucoseintolerantie; een orale GTT geeft een diabetische insulinecurve met verhoogde insuline-uitgangswaarde. Hyperlipoproteïnemie en een verhoogde cortisol productie zijn begleidverschijnselen.
In verwijzing naar een diëtist kan een therapeutisch dieet worden voorgeschreven dat in gedeelten genuttigd moet worden (zodat de vers ijning van glucose in bloed na maaltijd vertraagd is en de pancreas niet te sterk wordt geprikkeld). Als deze maatregel de klachten niet doet verdwijnen, is specialistisch onderzoek aangewezen.

Zelf geïnduceerde hypoglycemie
Bij aanwijzingen van zelf geïnduceerde hypoglycemie kan meer informatie verkregen worden door bij de patiënt in hypoglycemische toestand zo snel mogelijk glucose, insuline en C-peptide te laten bepalen. Exogeen insuline manifesteert zich (in plasma) door: een sterk verhoogde insulineconcentratie, een sterk verlaagde glucoseconcentratie en een zeer lage of niet aantoonbare C-peptide-concentratie. Controle op anti-insuline antilichamen is noodzakelijk. Zelf toediening van orale antidiabetica kan niet zonder meer aangetoond worden; strenge observatie is noodzakelijk.

Insulinoom
In bloedmonsters, liefst enkele dagen achtereen afgenomen bij de nuchtere patiënt, bepale men de glucose- en insulineconcentratie. Voor de interpretatie moeten niet de afzonderlijke uitslagen van deze parameters over gen worden, doch het quotiënt glucose (mmol/l)/insuline (mE/l). Toelichting: de afgifte van insuline door een insulinoom geschiedt autonoom, d.w.z. onafhankelijk van de glucoseconcentratie. Deze afgifte is gesuperponeerd op de ‘normale’ afgifte van insuline door de pancreas die wèl afhankelijk is van de glucoseconcentratie. De totale insulineconcentratie is dan niet meer op de glucoseconcentratie afgestemd.

Als de uitslag van het quotiënt enige malen <0,14 bedraagt, is een insulinoom waarschijnlijk. Voor verdere behandeling is verwijzing nodig. Opmerking: GTT en de zg. tolbutamine-, glucagon- en leucinetesten geven beperkte informatie.

Verder in deze paragraaf:

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl