3.4  Endocrinologische onderwerpen

- 3 Endocrinologische onderwerpen
- 3.4 Enkele speciale endocrinologische processen en minder voorkomende endocrinlogische afwijkingen*
- 3.4.3 Hyper-/hypocalciëmieën
- 3.4.3.2 Hypocalciëmie

 

3.4.3.2 Hypocalciëmie

Een teruglopende nierfunctie, en dus verlaagde 1,25 di-OH vit. D3 vorming kan uiteindelijk leiden tot een verlaagde calciumconcentratie. Het op de hypocalciëmie reagerende terugkoppelingsmechanisme stimuleert de bijschildklieren tot meer uitscheiding van PTH (secundaire hyperparathyreoïdie), echter zonder dat normalisatie van de calciumconcentratie volledig bereikt wordt. Resultaat: zwakke hypocalciëmie met verhoogd PTH en bijgevolg op den duur botverlies (hogere botresorptie dan botvorming). Eventueel is er verhoogde alkalische fosfatase.

Bij voortdurende stimulatie van de bijschildklieren kunnen deze hyperplastisch worden. Verschillende oorzaken (behalve de hierboven genoemde) zijn aan te wijzen voor secundaire hyperparathyreoïdie: te lage vitamine D of calcium inname, verlaagde intestinale vitamine D of calcium absorptie, overmatig geneesmiddelen gebruik (fenytoïne, fenobarbital, cholestyramine, laxeermiddelen), vitamine D resistentie, verhoogde inname anorganisch fosfaat, pseudohypoparathyreoïdie (zie on r), hypomagnesiëmie.

Bij patiënten met chronisch gestoorde nierfunctie of dialyse patienten is het aan te bevelen behandelingen met vitamine D pas te starten na bepaling van PTH (1-84) en PTH (7-84). De tweede generatie PTH bepaling meet beide componenten terwijl bij genoemde patienten de verhoudingen van beide PTH's kunnen variëren tussen 10 en 100 %. PTH(7-84) remt de actie van PTH(1-84) op het bot en als bij een hoog gemeten PTH gehalte PTH(7-84) het grootste aandeel levert, zou oversuppressie met vitamine D leiden tot vasculaire calcificatie.

Een steeds grotere risicogroep patiënten met vit. D-gebrek en dus optreden van rachitis en osteomalacie bestaat uit bewoners van verzorgingsc. q. verpleeghuizen en migranten die op grond van religieuze overwegingen nauwelijks buiten komen en/of hun lichaam (bijna) volledig bedekken. De milde vorm gaat soms gepaard met geen of onduidelijke symptomen; de ernstigere vorm met botpijn, spierpijn en spierzwakte. Bij voldoende blootstelling aan zonlicht is de bijdrage van vitamine D uit voeding onbelangrijk: voeding als enige bron van vitamine D is meestal ontoereikend.

Indien een verlaagde calciumconcentratie wordt gevonden moet het PTH als tegenregulator hoog normaal of licht verhoogd zijn. Is dit niet het geval, dan spreekt men van hypoparathyreoïdie. Deze aandoening wordt gekenmerkt door een laag Ca-, hoog fosfaat- en laag PTH-gehalte in serum.
Oorzaken kunnen zijn: PTH-deficiëntie (idiopatisch, operatie, bestraling), vit. D-intoxicatie en 1,25 di-OH-vit. D3 overproductie. Pseudohypoparathyreoïdie behelst de resistentie van de PTH receptor. Dit komt tot uiting als een laag Ca en hoog PTH en gaat gepaard met aangeboren defecten in groei en ontwikkeling van het skelet.

Verder in deze paragraaf:

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl