3.4.3 Hyper-/hypocalciëmieën
Ca: | : Ruim 99% van het in het lichaam aanwezige calcium (Ca) is opgeslagen in de botten en tanden. 1% bevindt zich in de intracellulaire en extracellulaire vloeistoffen. Ca is onmisbaar in: bijna alle stappen van de stolling, bij de spiercontractie, bij vele enzymatische omzettingen en de signaaloverdracht tussen cellen. Calcium is in bloed in twee vormen aanwezig: ca. 55% is gebonden aan eiwitten (voornamelijk albumine) en andere stoffen (voornamelijk lactaat); het overige deel (45%) is aanwezig als vrije calciumionen (Ca++). Alleen het vrije calcium is fysiologisch actief. Met de uitdrukking ‘calciumconcentratie’ wordt in de regel bedoeld: de concentratie van het totale in bloed aanwezige Ca... | | HCT | : humaan calcitonine. Dit hormoon wordt vooral door de schildklier geproduceerd. | | PTH | : PTH: ‘Parathyroid Hormone’, een door de bijschildklieren geproduceerd hormoon. Voornaamste functie: het handhaven van een normale concentratie van calcium in bloed bij verlies van calcium door welke | | 1,25-dihydroxy-vit. D3 | : zie hoofdstuk ‘Tekorten en overdoseringen van enkele belangrijke voedingsstoffen’. | | | | |
De biologische effecten van calcium op het functioneren van verschillende organen, als zenuwen, spieren en klieren, hangen ten nauwste samen met de calciumconcentratie in bloed. Zodra de concentratie boven of beneden de zg. ‘fysiologische’ grenzen komt, kunnen ernstige en tenslotte levensbedreigende situaties ontstaan. De calciumconcentratie in het bloed wordt, van moment tot moment, bepaald door A. verwijdering van Ca en B. opname van Ca. A. De verwijdering geschiedt door: A1. opslaan van Ca in de botmatrix A2. uitscheiding door glomerulaire filtratie A3. uitscheiding via de gal. B. De opname geschiedt door: B1. vrijmaken van Ca uit de botmatrix B2. tubulaire readsorptie van een gedeelte van het gefiltreerde Ca. B3. opname van Ca uit de darm. Het lichaam beschikt over een systeem om de calciumconcentratie in bloed binnen nauwe grenzen (in de orde van 2,10 - 2,55 mmol/l) te houden. PTH heeft een centrale rol in de controle van deze afstemming. Verder zijn betrokken hormonen als groeihormoon, 1,25-dihydroxy- vit. D3, oestrogenen, enz. HCT speelt hierin een minimale rol. De uitscheiding van PTH door de bijschildklieren is afhankelijk van de calciumconcentratie. Stijgende calciumconcentratie in bloed (beter gezegd: stijgende Ca++-concentratie) doet de uitscheiding van PTH verminderen (‘negatief terugkoppelingsmechanisme’). Dalende calciumconcentratie stimuleert de secretie van PTH, dat de vorming van 1,25-dihydroxy- vit. D3 in de nieren activeert. Deze werkzame vorm van vit. D verhoogt de Ca opname uit de darm. Bovendien versterkt vit. D3 de werking van verhoogd PTH om meer calcium uit het bot vrij te maken. Verder stimuleert het verhoogde PTH de terugresorptie van Ca uit het tubulaire filtraat. Resultaat van deze acties is een stijging van de calciumconcentratie. Deze stijging zou nog tegengewerkt kunnen worden door hypothyreoïdie, malnutritie, vasten en een verlaagd somatomedine C (= IgF I = Insuline like Growth Factor I). Blijvende hypocalciëmie leidt tot versnelde calciummobilisatie uit het bot: er ontstaat osteomalacie.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|