4.1.2.4 Coeliakie
In de klassieke studies wordt de diagnose coeliakie gesteld op de kinderleeftijd wanneer granen in de voeding worden geïntroduceerd. Er ontstaat een achterstand in de groei, diarree, steatorroe, anemie en soms zelfs osteomalacie. Meer recente studies tonen dat de diagnose vaker op volwassen leeftijd wordt gesteld met een meer subtiele presentatie: van (ijzergebreks-)anemie en vermoeidheid tot meer klassiek diarree en tekenen van malabsorptie: tekort aan foliumzuur, vitamine K, vitamine D, enz.. Osteoporose wordt zeker in de helft van de patiënten met coeliakie gevonden (zie tekstvak). 
Na vastgestelde coeliakie kan de huisarts screening en vervolgcontrole van de familie (broers, zusters, kinderen, enz.) regelen. Laboratoriumonderzoek De aanwezigheid van IgG- en IgA-antistoffen tegen gliadine, IgA reticuline en IgA anti-endomysium antilichamen wijzen op coeliakie. De sensitiviteit van de laatste ligt rond de 90%. Essentieel in de diagnostiek blijft een biopt van de dunne darm. Met name bij ernstige afwijkingen (Marsh type 3 of 4) zijn de antistoffen positief. Bij herstel van het slijmvlies dalen de titers. Als de diagnose is gesteld, zal gericht onderzoek gedaan worden naar het bloedbeeld, vitamines, elektrolieten (o.a. calcium). Onderzoek van de ontlasting kan steatorroe tonen (vetbalans). Normaal wordt niet meer dan 5- 7 gram vet in de ontlasting verloren. Histologie Dunne darmbiopten werden vroeger verkregen met een capsulebiopsie uit het jejunum. Omdat deze techniek vrij bewerkelijk is worden nu biopten genomen met een flexibele endoscoop, waarmee het duodenum bereikt wordt. Beide method zijn zeer betrouwbaar, echter in incidentele gevallen zijn de afwijkingen niet overal even uitgesproken en kan een fout-negatieve uitslag worden afgegeven. Voor de patholoog is met name herkennen van de vroege stadia (Marsh type 0-2) soms moeilijk. Infecties kunnen vergelijkbare afwijkingen geven. Behandeling Het belangrijkste is het dieet dat glutenvrij moet zijn en geen producten mag bevatten van tarwe, rogge, gerst en haver. Daarnaast moeten deficiënties worden aangevuld. Na 3 - 4 maanden moet een verbetering van het slijmvlies zijn opgetreden, te zien aan daling van de endomysium-antistoffen en in een nieuw dunne darm biopt. Soms duurt het veel langer voor herstel optreedt. Dieetfouten spelen een rol (gliadines zijn in zeer veel producten aanwezig). In enkele gevallen zal men medicamenteus moeten behandelen (steroïden). Het dieet is in principe levenslang en is een grote belasting voor patiënt en gezin. Een diëtist heeft een essentiële rol in de begeleiding; ook de patiëntenvereniging biedt veel hulpmogelijkheden. 
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|