 |
6.2.2.1 Anamnese
- indruk over de duur en ernst van de hypertensie: wanneer voor het eerst vastgesteld, bij welke gelegenheid, éénmalig of vaker gemeten, hoogte van de bloeddruk. - eigen of familie-anamnese wat betreft hypertensie,hart- en vaatziekten en cerebrovasculaire accidenten, zelf of prematuur bij eerste-graadsfamilie (<60e jr.), nierziekten. - medicatie (andere dan antihypertensieve), die invloed op de bloeddruk kan hebben (zoals NSAID's, orale anticonceptiva, corticosteroïden, oestrogenen, antidepressiva). - dieet en leefgewoonten (alcohol, zout, drop, vet, fysieke inactiviteit, chronische stress). - andere risicofactoren zoals roken, hypercholesterolemie, diabetes mellitus. - klachten passend bij secundaire hypertensie, bv. feochromocytoom (aanvallen van bleekheid, transpireren, hartkloppingen). - klachten wijzend op reeds opgelopen cardiovasculaire schade (bv. dyspneu, angina pectoris, claudicatio intermittens, t.i.a.'s). - reeds gebruikte anti-hypertensieve medicatie (welke middelen, dosering, hoe lang behandeld, bijwerkingen). Zie voor overzicht van risicofactoren: hoofdstuk ‘Vetstofwisseling en cardiovasculaire complicaties’, par. 4 en voor werking drop e.d.: hoofdstuk ‘Elektrolietstoornissen in de huisartsenpraktijk’, par. 3B.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |