 |
6.2.3 Wanneer behandelen / verwijzen
Een normale bloeddruk is een bloeddruk systolisch <14O en diastolisch <9O mmHg, onafhankelijk van de leeftijd. Voor kinderen kunnen beter 95-percentiel waarden per leeftijd of lengte categorie worden aangehouden voor verhoogde bloeddruk. Voor zwangeren: zie hoofdstuk ‘Zwangerschap’. 
Wanneer een verhoogde tensie is vastgesteld, moet de beslissing om te behandelen (en om welke maatregelen/medicatie toe te passen) gebaseerd zijn op twee soorten gegevens: - het niveau van de gemiddelde tensie. Bij ouderen de staande bloeddruk in de beslissing betrekken. - het cardiovasculair risico. Het risico is verhoogd bij cardiovasculaire ziekte of eindorgaanschade (bv. LVH). Verder bij ongunstig risicoprofiel: roken, hypercholesterolemie, diabetes mellitus, leeftijd (mannen >55 jr., vrouwen >65 jr), familie-anamnese belast met premature cardiovasculaire ziekten (1e graads familieleden <60 jr.), enz. Dit risico is in het bijzonder verhoogd bij aanwezigheid van meerdere risicofactoren. Het samengestelde risico kan worden bepaald uit ref. 2, 3, eventueel ref. 4 of globaal worden ingeschat door een risicoscore berekening als gegeven in de bijlage van hoofdstuk ‘Vetstofwisseling en cardiovasculaire complicaties’. Voorbeelden (ontleend aan ref. 2) - een man, 65 jaar, met diabetes m. en verscheidene t.i.a.’s in de voorgeschiedenis en tensie 145/90 mmHg heeft 20 maal groter risico op een ernstig cardiovasculair accident dan een man 40 jaar met dezelfde tensie doch zonder de genoemde medische complicaties. Behandeling van hypertensie bij patiënten met diabetes m. is onontbeerlijk als men macrovasculaire complicaties wil voorkómen (evenals behandeling van dyslipidemie, raadgeving over leefstijl). - een man, 40 jaar, met een tensie 170/105 mmHg heeft 2 - 3 maal groter risico op een ernstig cardiovasculair accident dan een man van gelijke leeftijd doch met een tensie van 145/90 mmHg; vooropgesteld dat beiden verder een overeenkomstig risicoprofiel hebben. Bij een laag cardiovasculair risico (c.q. ontbreken van risicofactoren) dient direct gestart te worden met behandeling bij een systolische tensie >180 mmHg of diastolische tensie >110 mmHg volgens WHO, volgens Europees advies (3) >100 mmHg). Is bij laag cardiovasculair risico de bloeddruk verhoogd en de systolische tensie <180 mmHg of diastolische tensie <110 mmHg (volgens WHO, volgens Europees advies gelden resp. <180 en <100 mmHg), dan dient gestart te worden met therapie indien na 3 - 6 maanden observatie de systolische tensie (WHO advies) >150 mmHg c.q. (Europees advies) >160 mmHg bedraagt of diastolische tensie >95 mmHg ligt (WHO en Europees advies). Bij een hoog cardiovasculair risico (bv. bij diabetes m.) echter reeds medicatie vanaf systolische tensie >140 mmHg of diastolische tensie >90 mmHg; volgens WHO direct, volgens Europees advies (3) na drie maanden navolgen van voorgeschreven leefregels (betreffende gebruik van zout en alcohol, roken, dieet, beweging e.d.). Bij zwangeren gelden aparte normen.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |