 |
6.3.2.1 Directe verwijzingen
Soms zullen de bevindingen zo duidelijk zijn dat onverwijld kan worden verwezen, zoals bv.: - een patiënt, met of zonder voorafgaande fase van stabiele angina pectoris, die in korte tijd vaker angina pectoris krijgt (en ook nog in rust). Het criterium hierbij is derhalve het ontstaan (niet de intensiteit) van acuut verergerende of nieuw ontstane borstklachten die passen bij een instabiele angina pectoris of een (dreigend) myocardinfarct klachten c.q. verandering in het beeld bij van tevoren stabiele angina pectoris. Van instabiele angina pectoris is sprake als: 1. de aanvallen veranderen in frequentie, duur, ernst van de pijn en uitstraling; 2. indien na een vrij interval opnieuw pijn optreedt; 3. de pijn voor het eerst optreedt. Een aanval die langer dan een half uur duurt is verdacht voor een myocardinfarct. - een patiënt met heftige retrosternale pijn (die eventueel uitstraalt naar linker- en rechter zijde van de borst of kaken of schouders of rug), die niet verdwijnt in rust (of positief reageert op nitroglycerine), dient onverwijld te worden ingestuurd onder de diagnose ‘acuut coronair syndroom’ (= AMI of dreigend myocardinfarct). Soms is de pijnaanval vergezeld met dyspneu,braken of lichtovergevoeligheid. Als de gegeven pijnaanduidingen acuut zijn en niet een plausibele reden ' - anders dan acuut coronair syndroom - gevonden kan worden, is spoedverwijzing aangewezen. Opmerking: soms is er alleen maar sprake van pijn in de arm of tussen de schouderbladen of alleen maar de schoudertoppen of in de nek, de kaak, of in de bovenbuik. Een diagnostische valkuil is als een patiënt met AMI alleen verschijnselen toont als (doods-) angst, hyperventilatie, zweten. Op geleide hiervan kan ten onrechte paniekstoornis als diagnose worden gesteld, vooral als de patiënt al eerder dergelijke symptomen had zonder cardiale complicaties; patiënten met paniekstoornis kunnen zich immers met cardiale symptomenpresenteren (2). Andere aandoeningen als longembolie, hyperthyreoïdie, feochromocytoom, enz. kunnen eveneens een AMI imiteren (3). - een patiënt die een TIA ontwikkelt. Zie verderpar. 2C. - een patiënt met dyspneu. Dyspneu kan het gevolg zijn van hartfalen of een AMI, doch men zij ook alert op longembolie. Wat betreft longembolie: in de vóórgeschiedenis treft men bv. het vaak hebben van bloedingen (neus, na een kiesextractie) of het vaak en snel krijgen van hematomen als indicatie van een stollingsstoornis en/of een recent trauma als mogelijke oorzaak van een naar de longen geemboliseerde, na het trauma ontstane, trombus. Een diep veneuze trombose (DVT) als bron van de longembolie kan zich presenteren met pijn, zwelling en roodheid in de (onder)been. Opmerkingen: * voor diagnostiek van DVT zie: hoofdstuk ‘Beeldvormende diagnostiek voor de huisarts’. * voor sarcoïdose (als oorzaak van dyspneu): zie hoofdstuk ‘Beeldvormende diagnostiek voor de huisarts’. - een patiënt met vóórafgaande stabiele claudicatioklachten (pijn in het been pas na forse inspanning), waarbij de perifere pulsaties ontbreken. Indien er een fase komt waarbij er een snelle progressie is (pijn in rust, een koud en pijnlijk cyanotisch been, verkleurde grote tenen), dient onverwijld te worden verwezen. - een patiënt met vóórafgaande perioden met rustige pols, die zich presenteert met atriumfibrilleren. - een patiënt met tachy-aritmieën. - een neonaat die niet wil drinken en cyanotisch is. Cyanotische kleurafwijkingen en onvoldoende drinken zijn indicaties voor aangeboren hartgebrek; meest voorkomend is een abnormale verbinding tussen de grote en kleine circulatie bv. open ductus Botalli, atriumseptumdefecten, ventrikelseptumdefecten, enz..
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |