 |
6.3.3.6 Extra-cardiale factoren die het ECG-beeld kunnen beïnvloeden
Afwijkingen in de serumconcentraties van verschillende elektrolieten kunnen, evenals gebruik van geneesmiddelen, het ECG veranderen: - hypokaliëmie: ST-segment daling, negatieve T-top, verlenging QT-interval. - hyperkaliëmie: hoge spitse T-top, QRS verbreding, verdwijnen van P-toppen. - hypocalciëmie: verlenging QT-interval, verlengingPQ-tijd. - hypercalciëmie: verkorting QT-interval. - digoxine-intoxicatie: verlenging PQ-tijd, verkort QR-interval, lagere tot negatieve T-top, ST-segment daling. (deze veranderingen wijzen niet op intoxicatie in tegenstelling tot extrasystolie, tachy-aritmieën en AV-block). - quinidine, procaïnamide, disopyramide en amiodaron: verlenging QT-interval, verbreding T-top, prominente U-golven. - psychofarmaca (fenothiazine en tricyclische antidepressiva): verlenging QT-interval, prominente U-golven, ST-segment daling, vlakke Ttop. Digoxine Digoxine bemoeilijkt de ECG diagnostiek van coronairlijden. De therapeutische breedte van het middel is smal; 1,0 - 2,0 µg/l (1,3 - 2,6 nmol/l). Indien men waarden boven 2,0 µg/l vindt dient men zich af te vragen of lever- en nierfunctie wel normaal zijn. In het therapeutisch bereik kan de gevoeligheid van het myocard voor de toxische effecten van digoxine verhoogd zijn. Met name bij oudere patiënten, hypokaliëmie (diuretica), hypothyreoïdie, hypercalciëmie en ischemie. Als een digoxineconcentratie wordt gevonden lager dan 1,0 µg/l (<1,3 nmol/l) en de patiënt is gecompenseerd en/of vrij van ritme-afwijkingen dan is het de vraag of het voorschrijven moet worden gecontinueerd.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |