 |
7.2.3.3 Hepatitis-, HIV-, lues-, rubella-, en toxoplasmoseserologie
Zie voor interpretatie van de hepatitisparameters (HBsAg, IgM-anti-HBc, anti-HBs, enz.) hoofdstuk ‘Diagnostiek van aandoeningen van lever en galwegen’. Indien de leverfuncties gestoord zijn, is specialistisch consult raadzaam. Bij positieve uitslag van HBsAg dient: - de uitslag naar de entadministratie te worden gestuurd. - een bevestiging te worden gedaan, bv. in een streeklaboratorium. - tijdig maatregelen voor vaccinatie te worden genomen. Bv. als bevalling thuis geschieden zal, laat men bij patiënte thuis ‘hepatitis B-immunoglobuline’ gekoeld in voorraad nemen om met dit immunoglobuline direct na partus een passieve immunisatie uit te voeren (ter bescherming van de neonaat). Tevens wordt (te beginnen op de leeftijd van ongeveer 2 maanden tezamen met de DKTP vaccinatie, enz.) een actieve immunisatie uitgevoerd die enkele malen herhaald wordt. Als de zwangere een positieve anamnese voor mogelijke HIV infectie heeft en/of positief is voor anti-HIV-antistoffen, wordt een beleid ingesteld om de kans op intra-uteriene c.q. perinatale overdracht van het virus op het kind zo gering mogelijk te maken. Dit houdt maatregelen in als vroege medicatie, bevalling via keizersnede en afzien van borstvoeding. Bij positieve uitslag van onderzoek op lues dient verwijzing voor specialistische behandeling te geschieden in verband met gevaar voor vroegtijdige partus en infectie van de foetus (congenitale syfilis). Bij rubella wijst een positieve IgG-anti-rubella èn een negatieve IgM-anti-rubella op bescherming, na een eens doorgemaakte infectie of vaccinatie. IgG antistoffen blijven jaren, zo niet levenslang, aanwezig. IgM antistoffen tegen rubella zijn bij besmetting aantoonbaar vanaf 2 dagen tot ca. 5 weken na optreden van exantheem. Een positieve IgM wijst derhalve op een infectie hoogstens 5 weken terug. Specialistische behandeling is dan nodig. Zijn zowel de IgG- als IgM-antistoffen negatief, dan zijn er twee mogelijkheden: - patiënte heeft nog nooit een infectie doorgemaakt; voorzichtigheid is geboden, men waarschuwe patiënte om contacten met personen met exantheem te vermijden. - infectie is zo recent dat zich nog geen IgM-antilichamen hebben gevormd. Herhaling van het serologisch onderzoek (op IgM-antistoffen, twee weken na de vorige bloedafname) kan uitsluitsel geven. Het is bij de interpretatie van groot belang te kunnen vaststellen dat een aanwijsbaar besmettelijk contact recent heeft plaats gehad en dat exantheem bij de patiënte zelf aanwezig is. Bij verdenking op toxoplasmose geldt: IgM-antilichamen zijn al enkele dagen na de besmetting aanwijsbaar en hun concentratie bereikt de piek na ca. 2 - 5 weken. De IgM-antilichamen blijven in lage concentratie nog 1 - 2 jaar aanwezig en een positieve reactie bij de test is dus geen bewijs van recente infectie. Een positieve uitslag van IgG-antilichamen wijst op een (recente of eens) doorgemaakte infectie daar deze antilichamen jaren aanwezig blijven; een significante (>4 maal) stijging van de titer van IgG-antilichamen in twee monsters, één afgenomen direct na de symptomen en het andere 4 weken later kan op recente infectie wijzen. Gezien de mogelijkheid van fout-positieve uitslagen en het feit dat aan de standaardisatie van de testen van beide antilichamen problemen kleven, is overleg met hetlaboratorium nodig.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |