| ADCC test: | ‘Antibody Dependent Cellular Cytotoxicity’ test. Een in vitro test die de capaciteit van irregulaire antistoffen, om erytrocyten te lyseren, meet. |
| Allo-antistoffen: | antistoffen die door een individu worden geproduceerd en gericht zijn tegen antigenen van een ander individu; i.e. in de context van dit hoofdstuk: van het kind. |
| Auto-antistoffen: | antistoffen die gericht zijn tegen eigen antigenen van het individu. |
| Bloedgroepantigenen: | erfelijke kenmerken op eiwitten, die aanwezig kunnen zijn in de celmembraan van erytrocyten en immunogeen zijn. Voorbeelden: A, B, de Rhesusantigenen, Kidd, Kell en Duffy. |
| CLB: | Centraal Laboratorium voor de Bloedtransfusiedienst (Amsterdam). Tegenwoordig bekend onder de naam Sanquin Diagnostiek. |
| BIBO: | Bijzonder Instituut voor Bloedgroepen Onderzoek (Groningen). |
| Directe antiglobuline test: | een in vitro test waarmee onderzocht kan worden of in vivo antistoffen aan erytrocyten gebonden zijn. |
| Fenotype: | erfelijk bepaalde verschijningsvorm. |
| Foetomaternale transfusie: | het passeren van foetale erytrocyten door de placenta naar de moederlijke circulatie. |
| Irregulaire erytrocyten antistoffen (IEA): | antistoffen tegen bloedgroepen (op rode cellen) die normaal niet aanwezig zijn; dit zijn alle antistoffen anders dan anti-A en anti-B. |
| Rhesus antigenen: | hieronder vallen rhesus D (afgekort rhD, de letter D is geen afkorting maar duidt op één van de bloedgroepantigenen; in Am. literatuur soms aangeduid als Rh0 of Rh0 D) en andere antigenen: C, c, E of e. RhD komt bij ca. 84% der personen voor. |
| Zwangerschaps-immunisatie: | vorming van antistoffen in een zwangere tegen een bloedgroepantigeen, dat op de bloedcellen van het kind aanwezig is, maar bij haar zelf ontbreekt. |