7.3  Fertiliteit en zwangerschap

- 7 Fertiliteit en zwangerschap
- 7.3 Zwangerschapsimmunisatie
- 7.3.1 Afkortingen en nomenclatuur

 

7.3.1 Afkortingen en nomenclatuur

ADCC test:‘Antibody Dependent Cellular Cytotoxicity’ test. Een in vitro test die de capaciteit van irregulaire antistoffen, om erytrocyten te lyseren, meet.
Allo-antistoffen:antistoffen die door een individu worden geproduceerd en gericht zijn tegen antigenen van een ander individu; i.e. in de context van dit hoofdstuk: van het kind.
Auto-antistoffen:antistoffen die gericht zijn tegen eigen antigenen van het individu.
Bloedgroepantigenen: erfelijke kenmerken op eiwitten, die aanwezig kunnen zijn in de celmembraan van erytrocyten en immunogeen zijn. Voorbeelden: A, B, de Rhesusantigenen, Kidd, Kell en Duffy.
CLB: Centraal Laboratorium voor de Bloedtransfusiedienst (Amsterdam). Tegenwoordig bekend onder de naam Sanquin Diagnostiek.
BIBO:Bijzonder Instituut voor Bloedgroepen Onderzoek (Groningen).
Directe antiglobuline test: een in vitro test waarmee onderzocht kan worden of in vivo antistoffen aan erytrocyten gebonden zijn.
Fenotype: erfelijk bepaalde verschijningsvorm.
Foetomaternale transfusie:het passeren van foetale erytrocyten door de placenta naar de moederlijke circulatie.
Irregulaire erytrocyten antistoffen (IEA):antistoffen tegen bloedgroepen (op rode cellen) die normaal niet aanwezig zijn; dit zijn alle antistoffen anders dan anti-A en anti-B.
Rhesus antigenen:hieronder vallen rhesus D (afgekort rhD, de letter D is geen afkorting maar duidt op één van de bloedgroepantigenen; in Am. literatuur soms aangeduid als Rh0 of Rh0 D) en andere antigenen: C, c, E of e. RhD komt bij ca. 84% der personen voor.
Zwangerschaps-immunisatie: vorming van antistoffen in een zwangere tegen een bloedgroepantigeen, dat op de bloedcellen van het kind aanwezig is, maar bij haar zelf ontbreekt.

Verder in deze paragraaf:
- Geen gerelateerde onderwerpen beschikbaar

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl