7.3  Fertiliteit en zwangerschap

- 7 Fertiliteit en zwangerschap
- 7.3 Zwangerschapsimmunisatie
- 7.3.2 Onderzoek bij en ter voorkoming van zwangerschapsimmunisatie
- 7.3.2.3 Antigonismen tegen andere bloedcellen

 

7.3.2.3 Antigonismen tegen andere bloedcellen

IgG-antistoffen tegen trombocytspecifieke bloedgroepen bij een zwangere vrouw kunnen de placenta passeren en een trombocytopenie bij de pasgeborene veroorzaken.

Trombopenie van de pasgeborene
Een verhoogde bloedingsneiging kan zich al voordoen bij een trombocytengetal lager dan 90 x 109/l. De arts kan door bloedingen bij de pasgeborene, zoals multiple huidbloedingen alert worden op trombocytopenie.
Als de neonatale trombocytopenie het gevolg is van moederlijke auto-antistoffen van de IgG-klasse, zijn de trombocyten veelal wel verlaagd, echter ernstige bloedingen hierdoor zijn zeldzaam.
Als er daarentegen sprake is van (neonatale) alloimmune trombocytopenie met een ernstig trombocytentekort als gevolg, is er een duidelijk risico voor bv. cerebrale en/of maagdarmbloedingen. Bloedingen kunnen reeds intra-uterien optreden. Bij geringer tekort kunnen de symptomen beperkt blijven tot bv. petechiën of kunnen bloedingen zelfs achterwege blijven.
De incidentie van neonatale allo-immune trombocytopenie ligt tussen 1:1000 - 1:2500.

De diagnostiek van de oorzaak van de neonatale trombocytopenie geschiedt vanwege het gecompliceerde karakter in gespecialiseerde centra als het CLB. Met name het aantonen van trombocytspecifieke allo-antistoffen vereist veel expertise. Hierbij wordt het serum van de moeder onderzocht op trombocytspecifieke antistoffen met een panel van getypeerde donortrombocyten waarin de klinisch relevante trombocytspecifieke antigenen homozygoot vertegenwoordigd zijn, in de immunofluorescentietest en/of een Elisa test. In het onderzoek worden de trombocyten van de vader betrokken worden om te zien of deze trombocyten een laag frequent antigeen dragen waartegen de moederlijke antistoffen gericht zijn.

Na de geboorte van een kind met allo-immune trombocytopenie begeleiden deze centra tevens een volgende zwangerschap: in de 20e week dient een buis moederlijk gestold bloed te worden opgestuurd voor onderzoek op aanwezigheid van trombocytspecifieke allo-antistoffen en de eventuele bepaling van de titer van deze antistoffen. Van belang voor de begeleiding van een volgende zwangerschap is tevens dat trombocytspecifieke allo-antigenen (zie testvak) bij de foetus op DNA niveau kunnen worden opgespoord. Het hiertoe gebruikte materiaal zijn chorionvlokken c.q. vruchtwatercellen. Heeft de moeder IgG-alloantistoffen tegen een trombocytspecifiek antigeen, waarvoor haar partner heterozygoot is, dan is af te leiden dat een volgend kind het risico loopt op een trombocytopenie. Uiteraard wordt, voordat deze onderzoeken worden verricht, het fenotype van de vader bepaald ten einde de kans op trombocytopenie in te schatten; de kans is 50% bij heterozygotie en 100% bij homozygotie.

Granulocytopenie (neutropenie) van de pasgeborene
Bij een neonatale neutropenie is er, met name als deze ernstig is, een verhoogd risico op infectie. (Recidiverende ) milde tot ernstige infectie’s bij de neonaat van huid, de bovenste luchtwegen of het keel-, neus- en oorgebied zijn aanwijzingen voor neonatale allo-immune neutropenie als gevolg van passage van moederlijke allo-antistoffen van de IgG-klasse. Soms gaat de neutropenie onbemerkt voorbij. In enkele gevallen kan een infectie tot sepsis leiden. De veroorzakers van de infecties zijn doorgaans Gram-positieve bacteriën. De incidentie van neonatale allo-immune neutropenie is ongeveer 1 : 2000. In verband met de herhalingskans bij volgende kinderen is diagnostiek wenselijk.

Diagnostiek van neonatale allo-immune neutropenie kan in het CLB worden gedaan met methodieken die overeenkomen met die welke toegepast worden bij de diagnostiek van neonatale trombocytopenie, veroorzaakt door trombocytspecifieke IgG-antistoffen.

Verder in deze paragraaf:

Print deze pagina
 
Copyright © 2002 - 2012 SAN - info@de-san.nl