 |
7.4.2.1 Inleiding
Voor de uitvoering van (basaal) echoscopisch onderzoek is het goed onderscheid te maken tussen enerzijds indicaties in het 1e trimester en anderzijds indicaties in het 2e of 3e trimester.
In het 1e trimester (zie 2A) speelt echoscopie een belangrijke rol in vraagstellingen als bv.: - is de foetus in leven? - is er sprake van intra- of extra-uteriene zwangerschap? - is er sprake van mola-zwangerschap? - nauwkeurige vaststelling zwangerschapsduur. - (aan het einde van het 1e trimester) is er sprake van meerlingzwangerschap? - vaststelling nekoedeem (‘fetal nuchal translucency’). In het 2e of 3e trimester (zie 2B) richt de echoscopie zich op: - is er sprake van een monochoriale meerlingzwangerschap? (onderzoek in 13e - 14e week). - vaststelling van structurele afwijkingen. - groeivertraging aanwezig? - lokalisatie van de placenta.
Verder in deze paragraaf:
- Geen gerelateerde onderwerpen beschikbaar
 |
Print deze pagina |
|
 |