 |
7.4.3.4 Sensiviteit en specifiteit
De sensitiviteit en specificiteit van echoscopisch onderzoek is nooit 100%, want het resultaat is gebaseerd op subjectieve beoordeling van het beeld. Een goed voorbeeld is de prenatale diagnostiek van aangeboren afwijkingen waar de kans op fout-negatieve uitslagen duidelijk van het onderzochte orgaansysteem afhangt. Uit onderzoek in de regio Rotterdam dat door ons instituut is uitgevoerd blijkt dat de sensitiviteit voor detectie van foetale hartafwijkingen (20 - 30 weken, beoordeling van 4-kamerbeeld) ligt bij ca. 65 - 70%. Voor de detectie van nierafwijkingen ligt de sensitiviteit beduidend (90 - 95%) hoger. De sensitiviteit wordt niet alleen beïnvloed door het orgaan, maar ook door de ernst van de afwijking en de kwaliteit van de apparatuur en de echoscopische ervaring in het onderzoekinstituut (centra waar expertise met geavanceerde onderzoeken aanwezig is versus overige). Een ander voorbeeld is de diagnostiek van buitenbaarmoederlijke zwangerschappen, die al hoewel het onder basaal echoscopisch onderzoek valt, extra expertise vergt. In het algemeen is de sensitiviteit afhankelijk van de voor het onderzoek optimale zwangerschapsperiode en derhalve van de zekerheid hieromtrent. De specificiteit ligt doorgaans hoger dan de sensitiviteit (80 - 90%). Anders gezegd: als er echoscopisch geen afwijking wordt vastgesteld is de kans dat deze vaststelling juist is 80 - 90%.
Verder in deze paragraaf:
 |
Print deze pagina |
|
 |