| Allo-immunisatie: | productie van specifieke antistoffen door de moeder, welke gericht zijn tegen antigenen van het kind (afkomstig van de vader). Het betreft antistoffen tegen trombocyt of granulocyt; in analogie met het Rhesus-antagonisme. |
| AGS: | adrenogenitaal syndroom. Berust op autosomaal recessief erfelijke afwijkingen in de synthese van bijnierschorshormonen. |
| CHT: | congenitale hypothyreoïdie. |
| Glycolyse: | letterlijk ‘het splitsen van glucose’ (in kleinere moleculen door enzymen). Bij bepaling van glucose in bloedmonsters moet glycolyse door uit de erytrocyten lekkende enzymen vermeden worden; dit geschiedt door toevoeging van natriumfluoride. |
| Ketonlichamen: | eindproducten van onvolledige vetafbraak. Deze doet zich voor als lichaam vetzuren als voornaamste energiebron moet gebruiken; bv. bij langdurig vasten, diabetes m. type 1. Voorbeeld: acetylazijnzuur dat in aceton over kan gaan. |
| PKU: | fenylketonurie. |
| Zuurstofverzadiging: | is gelijk aan het % met O2 beladen hemoglobine ten opzichte van de totale hoeveelheid (d.w.z. met O2 beladen en niet met O2 beladen) functioneel hemoglobine. |